Dit is geen klacht

9 februari, 2021
Kijk, we mogen natuurlijk niet klagen. We zijn allemaal gezond, hebben een dak boven ons hoofd, een inkomen (al begint dat als zelfstandige wel een beetje op te drogen) en elkaar. We hebben elkaar, dat is het belangrijkst. En zó gezellig ook. Helemaal zo lekker dicht op elkaars lip. Dus we klagen niet.
    We zeggen ook niet dat we de koters vorige week alvast ’s ochtends naar school lieten lopen en pas ’s middags weer binnen lieten, om een beetje ‘in het gevoel van school’ te komen. Dat zeggen we niet, want dat is natuurlijk een grapje. Ze mochten eind van de ochtend al naar binnen.
    Dat ouders met meer dan 2 kinderen überhaupt minder klagen heb ik onomstotelijk vastgesteld, omdat zij steevast van 1, 2 of geen kinder ouders “Ja, maar jij wou toch nog een derde?” naar hun kop geslingerd krijgen. Wij houden dus de kiesjes op elkaar, rechten onze krom getilde ruggen en slikken ons grief in.
 
Afgelopen maandag kwam onze verlossing. School ging weer open, en de kleinste mocht weer naar de crèche. HALLELUJAH. De kurk ging van meerdere flessen, feestjes met niet meer dan een persoon werden gevierd en we hingen onze mondkapjes aan de vlaggenstok. Lesgeven was ineens een stuk leuker met een eind in het vooruitzicht. Het loont om mensen een perspectief te bieden. Weten waar je het voor doet en wanneer het voorbij is, is fijner dan gedeelde smart. 
 
En toen was juf ziek. 
 
Nu zou ik hier kunnen eindigen, voor het dramatische effect, maar ik ben nog niet klaar met mijn beklag. Al klaag ik natuurlijk niet. Ik blog.
 
In het oude knalroze skipak van zijn zus, met muts op en snowboots aan stond Sammetje klaar om naar school te gaan, toen het berichtje binnenkwam. Juf. Is. Ziek. 
            “Juf is ziek, Sam.”
    Wat daarop volgde was een kreet van pure misère die ongeveer een kwartier aanhield. Juf had natuurlijk de avond ervoor ook even kunnen doorgeven dat ze ziek was. Of misschien een uurtje eerder, maar we klagen niet. We zuigen het op en dealen ermee.
    En dus togen we met z’n allen op de slee naar school, dropten Aaf een half uur te vroeg (we hadden de memo niet gelezen) overhandigden ons kleine Michelinmannetje over de balie aan de crècheleidster (het is net een afgeefluik) en namen een eenzaam jongetje weer mee terug naar huis. Het werd een topdag. Sam heeft de hele dag in de sneeuw gespeeld, Ruub heeft aan een stuk door kunnen werken en ik heb de hele ochtend koffie zitten leuten bij de buurvrouw, gewoon, omdat het kon.
 
Toen we het bericht kregen dat de Coronatest van juf negatief was en ze er de volgende dag weer zou zijn, gingen we niet zeggen dat ze maar beter met klachten thuis kon blijven. We zeiden ook maar niet dat een negatieve Coronatest nog niet uitsluit dat je Ebola hebt en we in deze tijden maar beter geen enkel risico kunnen nemen om onze kinderen met wat dan ook te besmetten. Nee. We applaudisseerden, deden een vreugdedansje en vertelden Sam het heuglijke nieuws. Want we klagen niet. We zijn zo blij.
 
En dus klaagden we ook niet toen Aaf thuis kwam met luis. 
 
School is weer begonnen, lieve mensen.
 

Smeekbede

15 juni, 2020

Ik wil een oproep doen aan de mensheid. Ik, moeder van drie kinderen, doe een beroep op het hart van ieder, van iedereen die nu demonstreert, die de corona maatregelen trotseert en terecht schreeuwt dat er geen plek is in de wereld voor racisme, voor rassenonderscheid. Aan al die mensen, en meer, leg ik mijn smeekbede voor. Ik hoop dat u mij horen kunt. 

Onzichtbaar ben ik, net als mijn broers en zusters, grootvaders en moeders, mijn kinderen. Mijn kinderen… God weet waar ze zijn. Of ze er nog zijn. Een puber was ik toen ik mijn eerste zoon kreeg. Dat hij van een vader was die ik niet kende, van iemand aan wie ik me niet vrijwillig onderwierp, maakte hem niet minder mijn zoon. Ze haalden hem bij me weg. Tranen liet ik, ik schreeuwde, maar niemand hoorde me. Of misschien hoorden ze me wel, maar kon het ze niet schelen. De angst van mijn kleine jongen is het laatste wat ik van hem voelde. Daarna moest ik weer in het gareel. Mijn meester dienen. Mijn dochter kreeg ik een jaar later, niet dat tijd voor mij iets concreets is, de dagen en nachten zijn hetzelfde, de zomers en winters vloeien in elkaar over, alles wordt belicht door hetzelfde licht. Ook mijn dochter werd bij me weggerukt. Haar is hetzelfde leven beschoren als ik, en ik vraag me af welk een beter lot is, dat van mijn zoon of mijn dochter. Mijn derde kind is in een ruimte naast me. Ik mag haar niet zien. Ik moet namelijk eerst mijn werk doen. Werk waar ik niet voor betaald word. Werk waar ikzelf voor moet betalen, met mijn leven, met het leven van mijn kinderen. En met mij velen van mijn volk.

Wij kunnen ons verdriet niet uiten. Niet op een manier die bij jullie binnenkomt. Onze kreten worden in de keel gesmoord, wij spreken namelijk een taal die niemand kan verstaan. Wij zijn anders. Onze huid is wit, bruin of zwart, maar tussen ons wordt geen onderscheid gemaakt. We leven in jullie maatschappij, maar hebben geen stem, geen vrijheid, geen toekomst. Ons lijden wordt niet erkend. En als dat wel gebeurt, wordt het weggezet als noodzakelijk kwaad.

Lieve mensen, tot jullie wend ik mij en ik vraag u, wat hebben wij u ooit misdaan? Wat geeft u het recht om ons volk uit te buiten, te martelen en te vermoorden? Wat geeft u het recht om over ons lot te beschikken? Uw ras? Uw verstand? Uw willekeur?

Ik hoop dat iemand mijn protest horen kan. Dat iemand het voor ons op wil nemen. Dat mensen voor ons op de barricades willen springen, een vuist maken en zeggen 'Nooit meer!' en 'Ieder leven telt!'

 

Ieder leven telt.

 

Getekend,

 

Dora NL 1946 2504 3, stal 2, rij 8

De Golden Cock

2 januari, 2019
‘Hoe was je weekend?’ vraag ik zodra hij de voordeur achter zich dichttrekt.  
‘Ja, leuk. Het jouwe? Was het gezellig met de meiden?’ antwoordt hij vrolijk.
Dus we gaan het zo spelen.
‘Ik kan beter vragen hoe jij het hebt gehad met de jóngens.’
Hij zet zijn tas neer en bekijkt me van top tot teen, argwanend nu. ‘Dat zeg ik net, het was leuk. Een geslaagd weekend. We hebben gelachen.’
Ik haal mijn neus op. ‘Gelachen? Jullie hebben gelachen?’
‘Ja, wat is er nou? Is er soms iets?’
‘Nee, hoor, helemaal niets. Dus het was leuk en jullie hebben gelachen, je hebt verder niets te zeggen?’
‘Jezus, nee, wat wil je horen? Heb jij soms geen leuk weekend gehad?’
‘Ha!’ glipt bijna hysterisch over mijn lippen. Ik haal diep adem. ‘Ík heb een prima weekend gehad, maar ik doe dan ook geen dingen die het daglicht niet kunnen verdragen.’
Hij trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Denk je dat ik iets uitgespookt heb?’
Hij vindt dit nog grappig ook. Na al die jaren, de kinderen, de hechtingen in mijn… ‘Zeg het nou maar gewoon. Zeg gewoon hoe het zit, want ik wéét het.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Wat wéét je?’
‘Ga je dit echt zo spelen? Je kan me niet gewoon in mijn ogen kijken en de waarheid zeggen? Kom op, man, ík ben het. Je kan mij alles zeggen.’ Ik moet mijn stem onder controle zien te houden. ‘Je had me toch wel kunnen zeggen dat ik niet genoeg was? Dat er dingen zijn die ik je niet kan geven, omdat ik… een vrouw ben,’ voeg ik er zachtjes aan toe.
Ik zie zijn adamsappel op en neer gaan. En nog eens. Een frons op zijn gezicht, paniek in zijn ogen. ‘Ik weet echt niet waar je het over hebt.’  
Ik draai me om, loop de woonkamer binnen, gris het bankafschrift dat ik uitgeprint heb van tafel, stamp terug de gang in en wapper het papier voor zijn neus heen en weer. ‘Dit. Hier heb ik het over. Je bent ook niet echt de slimste, hè. Welke debiel betaalt er met pin op de Wallen, nou?’
Hij wil het bankafschrift uit mijn handen pakken, maar ik trek het net op tijd terug. ‘Nu weet je dus dat ik het weet. Waarom heb je het me nooit verteld?’
‘Ik weet niet waar dit over gaat. Geef me dat papier dan.’
‘Je weet dondersgoed waar dit over gaat!’ schreeuw ik nu.
‘Nee, dat weet ik niet! Jij denkt dat ik naar de hoeren ben geweest ofzo, maar dat bén ik niet. Ik was niet eens in de buurt. En kom op, hoe lang ken je me nou?’
‘Blijkbaar niet lang genoeg.’ Mijn stem breekt. Door een waas van tranen kijk ik hem aan. ‘Waarom kon je me niet vertellen over je voorkeur? Hoe stom ben ik dat ik dat nooit aan je gemerkt heb?’
Hij steekt zijn arm uit, waarschijnlijk om mijn gezicht aan te raken of me naar zich toe te trekken en te troosten, maar bedenkt zich en laat hem langs zijn lichaam vallen. ‘Lieverd, ik weet echt niet waar je het over hebt.’
Ik reik hem het papier en wijs op de transactie.
‘Golden Cock?’ Zijn stem schiet een octaaf omhoog.
Nu grist hij het blad uit mijn handen. ‘Golden Cock, op de Zeedijk?’ Hij kijkt op. ‘Ik was niet op de Zeedijk, ik was in de Watergraafsmeer.’
‘Oké. En wie heeft dan met onze pinpas bijna driehonderd euro afgerekend bij de gouden pik? Nou? Is jouw pas soms gejat, want de mijne heb ik nog.’
Hij lijkt na te moeten denken, pakt langzaam zijn portemonnee uit zijn broekzak en kijkt erin. Hij houdt zijn pinpas omhoog.
‘Jij klootzak!’ Ik sla de pas uit zijn handen. ‘Leugenaar!’
‘Ik lieg niet! Ik was daar niet! Ik ben nog nooit in de Golden Cock geweest, ik weet niet eens wat het is!’
‘Dat zou ik ook zeggen als ik jou was! Driehonderd euro! Driehonderd euro geef je uit aan een gouden pik! Ik hoop voor je dat ie van goud was...’
‘Ik zweer het je, ik was het niet. Ik zweer het…’ Hij staakt zijn zin. ‘Maar jij ging toch naar de Zeedijk?’
‘Ga je het nu ómdraaien? Omgekeerde psychologie? Je durft wel, zeg!’
‘Nee, serieus, jij had toch…’ Hij pakt zijn telefoon, toetst iets in. Zijn vinger schuift over het scherm, blijft steken, klikt iets aan en dan verschijnt er een fonkeling in zijn ogen. Hij draait het scherm naar mij.
Golden Cock, Aziatisch restaurant. Op het plaatje herken ik het restaurant waar ik de meiden zaterdagavond op een etentje getrakteerd heb. 
 
             

Happy New Year

24 december, 2017
Van de sinterklaasgekte naar de kerstdrukte. Deze periode is er tegenwoordig een waarin ik compleet geleefd word. Alle afspraken moeten nog in dit jaar gepland worden, dingen op het werk moeten nog af voordat de kerstvakantie begint, cadeautjes moeten gekocht worden, eten moet ingeslagen worden, de kerstboom opgezet, degelijke outfits voor de kerstviering op school,  BSO en crèche moeten geregeld worden. En ieder jaar is het weer hetzelfde, wat doen we met oud en nieuw?
Wij zijn van die laatste moment planners die niet zoveel geven om de holidays, maar altijd wel in zijn voor een feestje. Alleen is 31 december nu juist de enige avond die op voorhand gepland dient te worden.
 
We kunnen niet meer zo maar weg, we hebben twee kids die aan geen oppas te slijten zijn, aangezien heel Nederland al wat gepland heeft op de laatste avond van het jaar. Daarbij is het veel te gezellig om de kinderen erbij te hebben. De meeste oud en nieuw feestjes vallen hierdoor af, ik zie mezelf namelijk niet met een koter van 3 en een kleuter van 5 in de Escape staan.
En dan nog een bijkomstigheid: ik ben als de dood voor vuurwerk. Sinds ik getuige ben geweest van een gillende keukenmeid die in iemands nek vloog en de kraag van haar jas vlam deed vatten, is vuurwerk voor mij wat Freddy Krueger is voor de kinderen in Wes Cravens a Nigthmare on Elm Street. Het kan wat mij betreft op het lijstje van dingen die zo snel mogelijk van de aardbodem geveegd moeten worden, na kernwapens. Wat ik een nog grotere hel vind is dat Jan en alleman vuurwerk gewoon legaal mag afsteken. Om met een scooter de openbare weg op te mogen moet je 16 zijn en heb je een scooterrijbewijs nodig, voor alcohol moet je mimimaal 18 zijn, een luchtdruk pistool mag ook pas vanaf je 18e en wordt geregistreerd op naam, maar vuurwerk, vúúrwerk, dat mag iedereen gewoon ongecontroleerd afsteken. Niet om twaalf uur, nee, al de hele dag. 
 
Toen we nog Toos en Koos kinderloos waren, gingen we iedere oud en nieuw naar een andere stad in Europa om bij de leukste feestjes te zijn. In al die steden wrdt het vuurwerk geregeld door de gemeente, komt het volk uit alle hoeken en gaten naar het plein of de kade om het prachtige siervuurwerk dat gecontroleerd afgestoken wordt te aanschouwen. Niet alleen zie je dan het mooiste vuurwerk, is het veilig voor omstanders, zitten de huisdiertjes zonder trauma en heb je niet overal een rotzooi op straat, het is ook nog eens leuk dat iedereen bij elkaar staat. Je kan de hele stad gelukkig nieuw jaar knuffelen als je daar zin in hebt. Daarna duikt iedereen de kroeg weer in, waar je ook gewoon in komt zonder dat je daar van tevoren een kaartje voor hebt hoeven aanschaffen. Anders dan in Nederland, waar je voor eetcafé Lik Toch M’n Bolle Reet vijftig euro entree betaalt en de helft van het gedruis ruim voor twaalf uur gepiekt heeft en niet meer in staat is om op het moment suprême helder van geest naar buiten te hollen om voor minimaal vijfhonderd euro aan vuurwerk af te schieten. Wat mij betreft is het een warzone om twaalf uur. Mij zie je niet buiten komen tot het laatste rotje de nacht heeft verknald.
 
Maar goed, lieve mensen, ieder z’n meug. Ik wens jullie heerlijke feestdagen, met verrukkelijk eten, lieve familie en vrienden, gezelligheid, warmte, goede wijn en muziek, maar bovenal een veilig uiteinde, en dat jullie er compleet met alle vingertjes en teentjes, oortjes en oogjes bij zijn als al jullie dromen in 2018 waar worden. 

Schoonheid

20 november, 2017
Tijdens een slaapfeestje met oud en nieuw ‘93 schrok ik wakker van iemand die een pluk haar achter mijn oor streek. Het was de knapste jongen van de hele wereld die op de rand van zijn bed zat en zich niet eens betrapt leek te voelen terwijl ik hem met wijd opengesperde ogen aan moet hebben gekeken. Ik sliep onder in zijn stapelbed, de andere kinderen lagen her en der in andere kamers in het huis, terwijl onze ouders beneden feest vierden.
Hij bleef zitten. Wat wilde hij? Me nog eens op m’n flikker geven voor het feit dat ik zijn GI Joe helikopter te pletter had laten vallen? Was hij er soms achter gekomen dat we zijn complete voorraad roll up bubblegum hadden opgevreten, die ook nog eens alleen maar in Amerika te krijgen was? Of zou hij weten dat ik stiekem zijn Aquafresh tandpasta met blueberry flavour had gebruikt om mijn tanden mee te poetsen?
Buiten knalde een verdwaald rotje uit elkaar, van beneden klonk muziek, gelach en geroezemoes, maar het geluid van mijn wild bonkende hart overstemde alles. Zou hij dat ook horen? Hij moest me wel raar vinden. Hoe kon hij anders? Hij snapte totaal niks van mij, en terecht, merendeel van de tijd begreep ik ook niets van mezelf. Misschien moest ik dat zeggen. Of gewoon sorry. Sorry voor mijn algehele ellendigheid, mijn streken, mijn stomme grappen, mijn grote mond, mijn roze bril met witte stippen, mijn braafheid, mijn boevigheid die dat moest verbloemen en voor het feit dat hij zijn bed moest afstaan aan mij, míj van al die mensen.
‘Weet je, je bent best mooi als je slaapt.’ Zijn stem klonk zacht toen hij dat zei.
Mijn longen smeekten bijna om zuurstof, maar mijn hoofd zat te vol met vraagtekens en fladderende vleugels. Hij stond op, sloeg drie treden van het houten trappetje over en sprong op het bed boven me. Ik durfde me niet te bewegen. Moest ik niet iets zeggen? Was er dan helemaal niets dat ik nu kon doen? Wat zou een normaal meisje zeggen? Ik liet mijn vingers over het plukje haar gaan dat nu achter mijn oor zat, haalde het daar vandaan en streek het er weer achter zoals hij zo even had gedaan. Ik was dus best mooi als ik sliep? Misschien moest ik dan maar nooit meer wakker worden...
 
Nu kijk ik naar mijn kleine meisje terwijl ze slaapt. Ik strijk voorzichtig een plukje haar achter haar perfecte oortje. Een engel, zoals ze daar ligt. Zo lief en zacht en onschuldig, maar tegelijkertijd ook al zo sterk en intelligent en onstuimig. Een wereldverbeteraar. Het is alsof ik naar mijn kleine zelf sta te kijken.
Ik moet denken aan dat ene moment met die jongen tijdens oud en nieuw ‘93 en realiseer me dat ik hem nu pas geloof. Dat ik pas zie hoe mooi ik eigenlijk ben als ik naar mijn kinderen kijk.