De Golden Cock

2 januari, 2019
‘Hoe was je weekend?’ vraag ik zodra hij de voordeur achter zich dichttrekt.  
‘Ja, leuk. Het jouwe? Was het gezellig met de meiden?’ antwoordt hij vrolijk.
Dus we gaan het zo spelen.
‘Ik kan beter vragen hoe jij het hebt gehad met de jóngens.’
Hij zet zijn tas neer en bekijkt me van top tot teen, argwanend nu. ‘Dat zeg ik net, het was leuk. Een geslaagd weekend. We hebben gelachen.’
Ik haal mijn neus op. ‘Gelachen? Jullie hebben gelachen?’
‘Ja, wat is er nou? Is er soms iets?’
‘Nee, hoor, helemaal niets. Dus het was leuk en jullie hebben gelachen, je hebt verder niets te zeggen?’
‘Jezus, nee, wat wil je horen? Heb jij soms geen leuk weekend gehad?’
‘Ha!’ glipt bijna hysterisch over mijn lippen. Ik haal diep adem. ‘Ík heb een prima weekend gehad, maar ik doe dan ook geen dingen die het daglicht niet kunnen verdragen.’
Hij trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Denk je dat ik iets uitgespookt heb?’
Hij vindt dit nog grappig ook. Na al die jaren, de kinderen, de hechtingen in mijn… ‘Zeg het nou maar gewoon. Zeg gewoon hoe het zit, want ik wéét het.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Wat wéét je?’
‘Ga je dit echt zo spelen? Je kan me niet gewoon in mijn ogen kijken en de waarheid zeggen? Kom op, man, ík ben het. Je kan mij alles zeggen.’ Ik moet mijn stem onder controle zien te houden. ‘Je had me toch wel kunnen zeggen dat ik niet genoeg was? Dat er dingen zijn die ik je niet kan geven, omdat ik… een vrouw ben,’ voeg ik er zachtjes aan toe.
Ik zie zijn adamsappel op en neer gaan. En nog eens. Een frons op zijn gezicht, paniek in zijn ogen. ‘Ik weet echt niet waar je het over hebt.’  
Ik draai me om, loop de woonkamer binnen, gris het bankafschrift dat ik uitgeprint heb van tafel, stamp terug de gang in en wapper het papier voor zijn neus heen en weer. ‘Dit. Hier heb ik het over. Je bent ook niet echt de slimste, hè. Welke debiel betaalt er met pin op de Wallen, nou?’
Hij wil het bankafschrift uit mijn handen pakken, maar ik trek het net op tijd terug. ‘Nu weet je dus dat ik het weet. Waarom heb je het me nooit verteld?’
‘Ik weet niet waar dit over gaat. Geef me dat papier dan.’
‘Je weet dondersgoed waar dit over gaat!’ schreeuw ik nu.
‘Nee, dat weet ik niet! Jij denkt dat ik naar de hoeren ben geweest ofzo, maar dat bén ik niet. Ik was niet eens in de buurt. En kom op, hoe lang ken je me nou?’
‘Blijkbaar niet lang genoeg.’ Mijn stem breekt. Door een waas van tranen kijk ik hem aan. ‘Waarom kon je me niet vertellen over je voorkeur? Hoe stom ben ik dat ik dat nooit aan je gemerkt heb?’
Hij steekt zijn arm uit, waarschijnlijk om mijn gezicht aan te raken of me naar zich toe te trekken en te troosten, maar bedenkt zich en laat hem langs zijn lichaam vallen. ‘Lieverd, ik weet echt niet waar je het over hebt.’
Ik reik hem het papier en wijs op de transactie.
‘Golden Cock?’ Zijn stem schiet een octaaf omhoog.
Nu grist hij het blad uit mijn handen. ‘Golden Cock, op de Zeedijk?’ Hij kijkt op. ‘Ik was niet op de Zeedijk, ik was in de Watergraafsmeer.’
‘Oké. En wie heeft dan met onze pinpas bijna driehonderd euro afgerekend bij de gouden pik? Nou? Is jouw pas soms gejat, want de mijne heb ik nog.’
Hij lijkt na te moeten denken, pakt langzaam zijn portemonnee uit zijn broekzak en kijkt erin. Hij houdt zijn pinpas omhoog.
‘Jij klootzak!’ Ik sla de pas uit zijn handen. ‘Leugenaar!’
‘Ik lieg niet! Ik was daar niet! Ik ben nog nooit in de Golden Cock geweest, ik weet niet eens wat het is!’
‘Dat zou ik ook zeggen als ik jou was! Driehonderd euro! Driehonderd euro geef je uit aan een gouden pik! Ik hoop voor je dat ie van goud was...’
‘Ik zweer het je, ik was het niet. Ik zweer het…’ Hij staakt zijn zin. ‘Maar jij ging toch naar de Zeedijk?’
‘Ga je het nu ómdraaien? Omgekeerde psychologie? Je durft wel, zeg!’
‘Nee, serieus, jij had toch…’ Hij pakt zijn telefoon, toetst iets in. Zijn vinger schuift over het scherm, blijft steken, klikt iets aan en dan verschijnt er een fonkeling in zijn ogen. Hij draait het scherm naar mij.
Golden Cock, Aziatisch restaurant. Op het plaatje herken ik het restaurant waar ik de meiden zaterdagavond op een etentje getrakteerd heb. 
 
             

Happy New Year

24 december, 2017
Van de sinterklaasgekte naar de kerstdrukte. Deze periode is er tegenwoordig een waarin ik compleet geleefd word. Alle afspraken moeten nog in dit jaar gepland worden, dingen op het werk moeten nog af voordat de kerstvakantie begint, cadeautjes moeten gekocht worden, eten moet ingeslagen worden, de kerstboom opgezet, degelijke outfits voor de kerstviering op school,  BSO en crèche moeten geregeld worden. En ieder jaar is het weer hetzelfde, wat doen we met oud en nieuw?
Wij zijn van die laatste moment planners die niet zoveel geven om de holidays, maar altijd wel in zijn voor een feestje. Alleen is 31 december nu juist de enige avond die op voorhand gepland dient te worden.
 
We kunnen niet meer zo maar weg, we hebben twee kids die aan geen oppas te slijten zijn, aangezien heel Nederland al wat gepland heeft op de laatste avond van het jaar. Daarbij is het veel te gezellig om de kinderen erbij te hebben. De meeste oud en nieuw feestjes vallen hierdoor af, ik zie mezelf namelijk niet met een koter van 3 en een kleuter van 5 in de Escape staan.
En dan nog een bijkomstigheid: ik ben als de dood voor vuurwerk. Sinds ik getuige ben geweest van een gillende keukenmeid die in iemands nek vloog en de kraag van haar jas vlam deed vatten, is vuurwerk voor mij wat Freddy Krueger is voor de kinderen in Wes Cravens a Nigthmare on Elm Street. Het kan wat mij betreft op het lijstje van dingen die zo snel mogelijk van de aardbodem geveegd moeten worden, na kernwapens. Wat ik een nog grotere hel vind is dat Jan en alleman vuurwerk gewoon legaal mag afsteken. Om met een scooter de openbare weg op te mogen moet je 16 zijn en heb je een scooterrijbewijs nodig, voor alcohol moet je mimimaal 18 zijn, een luchtdruk pistool mag ook pas vanaf je 18e en wordt geregistreerd op naam, maar vuurwerk, vúúrwerk, dat mag iedereen gewoon ongecontroleerd afsteken. Niet om twaalf uur, nee, al de hele dag. 
 
Toen we nog Toos en Koos kinderloos waren, gingen we iedere oud en nieuw naar een andere stad in Europa om bij de leukste feestjes te zijn. In al die steden wrdt het vuurwerk geregeld door de gemeente, komt het volk uit alle hoeken en gaten naar het plein of de kade om het prachtige siervuurwerk dat gecontroleerd afgestoken wordt te aanschouwen. Niet alleen zie je dan het mooiste vuurwerk, is het veilig voor omstanders, zitten de huisdiertjes zonder trauma en heb je niet overal een rotzooi op straat, het is ook nog eens leuk dat iedereen bij elkaar staat. Je kan de hele stad gelukkig nieuw jaar knuffelen als je daar zin in hebt. Daarna duikt iedereen de kroeg weer in, waar je ook gewoon in komt zonder dat je daar van tevoren een kaartje voor hebt hoeven aanschaffen. Anders dan in Nederland, waar je voor eetcafé Lik Toch M’n Bolle Reet vijftig euro entree betaalt en de helft van het gedruis ruim voor twaalf uur gepiekt heeft en niet meer in staat is om op het moment suprême helder van geest naar buiten te hollen om voor minimaal vijfhonderd euro aan vuurwerk af te schieten. Wat mij betreft is het een warzone om twaalf uur. Mij zie je niet buiten komen tot het laatste rotje de nacht heeft verknald.
 
Maar goed, lieve mensen, ieder z’n meug. Ik wens jullie heerlijke feestdagen, met verrukkelijk eten, lieve familie en vrienden, gezelligheid, warmte, goede wijn en muziek, maar bovenal een veilig uiteinde, en dat jullie er compleet met alle vingertjes en teentjes, oortjes en oogjes bij zijn als al jullie dromen in 2018 waar worden. 

Schoonheid

20 november, 2017
Tijdens een slaapfeestje met oud en nieuw ‘93 schrok ik wakker van iemand die een pluk haar achter mijn oor streek. Het was de knapste jongen van de hele wereld die op de rand van zijn bed zat en zich niet eens betrapt leek te voelen terwijl ik hem met wijd opengesperde ogen aan moet hebben gekeken. Ik sliep onder in zijn stapelbed, de andere kinderen lagen her en der in andere kamers in het huis, terwijl onze ouders beneden feest vierden.
Hij bleef zitten. Wat wilde hij? Me nog eens op m’n flikker geven voor het feit dat ik zijn GI Joe helikopter te pletter had laten vallen? Was hij er soms achter gekomen dat we zijn complete voorraad roll up bubblegum hadden opgevreten, die ook nog eens alleen maar in Amerika te krijgen was? Of zou hij weten dat ik stiekem zijn Aquafresh tandpasta met blueberry flavour had gebruikt om mijn tanden mee te poetsen?
Buiten knalde een verdwaald rotje uit elkaar, van beneden klonk muziek, gelach en geroezemoes, maar het geluid van mijn wild bonkende hart overstemde alles. Zou hij dat ook horen? Hij moest me wel raar vinden. Hoe kon hij anders? Hij snapte totaal niks van mij, en terecht, merendeel van de tijd begreep ik ook niets van mezelf. Misschien moest ik dat zeggen. Of gewoon sorry. Sorry voor mijn algehele ellendigheid, mijn streken, mijn stomme grappen, mijn grote mond, mijn roze bril met witte stippen, mijn braafheid, mijn boevigheid die dat moest verbloemen en voor het feit dat hij zijn bed moest afstaan aan mij, míj van al die mensen.
‘Weet je, je bent best mooi als je slaapt.’ Zijn stem klonk zacht toen hij dat zei.
Mijn longen smeekten bijna om zuurstof, maar mijn hoofd zat te vol met vraagtekens en fladderende vleugels. Hij stond op, sloeg drie treden van het houten trappetje over en sprong op het bed boven me. Ik durfde me niet te bewegen. Moest ik niet iets zeggen? Was er dan helemaal niets dat ik nu kon doen? Wat zou een normaal meisje zeggen? Ik liet mijn vingers over het plukje haar gaan dat nu achter mijn oor zat, haalde het daar vandaan en streek het er weer achter zoals hij zo even had gedaan. Ik was dus best mooi als ik sliep? Misschien moest ik dan maar nooit meer wakker worden...
 
Nu kijk ik naar mijn kleine meisje terwijl ze slaapt. Ik strijk voorzichtig een plukje haar achter haar perfecte oortje. Een engel, zoals ze daar ligt. Zo lief en zacht en onschuldig, maar tegelijkertijd ook al zo sterk en intelligent en onstuimig. Een wereldverbeteraar. Het is alsof ik naar mijn kleine zelf sta te kijken.
Ik moet denken aan dat ene moment met die jongen tijdens oud en nieuw ‘93 en realiseer me dat ik hem nu pas geloof. Dat ik pas zie hoe mooi ik eigenlijk ben als ik naar mijn kinderen kijk.
 

Ex Factor

23 oktober, 2017
Facebook doet van die grappige dingen. Zoals die suggesties met ‘mensen die je misschien kent’ die dan in een rijtje op je nieuwsoverzicht staan. Ik ken ze zelden, heb me misschien weleens afgevraagd hoe ze in dat rijtje terecht zijn gekomen en of ik ook in dat soort rijtjes sta, maar besteed er verder nooit echt aandacht aan. Nu zie ik daar iemand die ik wel ken.
 
Bij de jongen op de foto is de tijd stil blijven staan.
De eerste keer dat ik hem zag was in Mister Cocos op het Thorbeckeplein in Amsterdam, de bar waar ik iedere vrijdag met vriendinnen en klasgenoten happy hour vierde en me binnen een uur klem zoop aan malibu cola’s en wodka lemons, twee voor de prijs van een. Ik was zeventien.
Terwijl Montell Jordan Girl, if it’s all right, let’s go somewhere and get it on tonight’ zong, wat vrijwel meteen na die zin afgekapt werd door Een Bossie Rode Rozen, stond hij daar, met zijn lange in lichtblauwe spijkerbroek gehulde benen, zijn witte overhemd tot aan de glooiing van zijn gespierde borstkas open geknoopt, zijn Nike surfschoenen hip onder zijn hoog opgerolde broekspijpen, nonchalant tegen de bar geleund. Normaal rook het er naar sigarettenrook, oud bier, zweet en kots, maar toen waaide er een aangename lucht mijn neus binnen. Cartier Declaration, zou later blijken, vermengd met de sporen van de specerijen waarmee zijn moeder altijd kookte.
Onze blikken kruisten elkaar en plots waren we de enige twee in het staphok.
Hij keek weg toen zijn vriend iets tegen hem zei, barstte in lachen uit en keek weer zijlings naar me terug. Dan en daar wist ik dat ik nooit eerder verliefd was geweest.
Terwijl hij zijn glas naar zijn mond bracht om een slok van zijn drankje te nemen, haalde ik diep adem en stapte langs hem heen, me bewust van zijn energie die me leek te volgen naar de andere kant van de ruimte.
 
Het komt ineens allemaal terug. Hoe we maandenlang om elkaar heen draaiden, maar uiteindelijk niet anders konden dan toegeven aan die enorme aantrekkingskracht.
Mijn eerste liefde.
De jaren met hem, af en aan, van mijn achttiende tot mijn tweeëntwintigste, zijn te reduceren tot één nummer: Ex Factor van Lauryn Hill. 
Ik weet nog hoe ik op mijn slaapkamervloer op de grond lag met een kussen tegen mijn buik gedrukt, terwijl ik ‘care for me, care for me, I know you care for me’ mee schreeuwde. De enige die er wat om gaf was de bovenbuurman, die brulde of ik mijn kop kon houden terwijl hij met de achterkant van de bezem op de vloer bonkte.
 
Ik dacht altijd dat mijn hart binnenstebuiten gekeerd en opnieuw in elkaar gezet was om alleen voor hem te kloppen. Totdat ik op mijn tweeëntwintigste tijdens een vakantie verliefd werd op een Italiaan. Hij sprak geen woord Engels, ik geen woord Italiaans, maar ik beleefde net zo’n intense liefde als met de jongen die ik voor de zoveelste keer uit mijn leven had gebannen. Ik had niets met de Italiaan gemeen, niets om over te praten, het had geen enkele diepgang en toch huilde ik vanuit mijn tenen in de bus terug naar de luchthaven.
Een week later zag ik mijn eerste liefde weer. Een prachtige, maar lege huls.
Leven met hem was als leven in een kleurloze, holle ruimte, waarin mijn liefde tegen de kale wanden afketste. Het was ineens zo klaar als een klontje. 
Ik besloot me alleen nog maar te geven aan iemand die zó kleurrijk was van binnen, dat ik eindeloos in hem zou kunnen blijven verdwalen.
Die persoon is de vader van mijn kinderen en zit hier nu onderuitgezakt op de bank een documentaire te kijken.
 
De cursor blijft even hangen, maar dan druk  ik resoluut op het kruisje rechts bovenin de foto. Het plaatje verdwijnt.
 

Do not disturb

1 oktober, 2017
Oké, jullie zullen me allemaal wel weer een verschrikkelijke moeder vinden, maar ik vertel het toch. Ik heb een duivels idee gejat van de juf, en het werkt, mensen, het werkt!
Zoals ik al zei in mijn vorige blog is het ‘Mama, mama mama’ klokje rond en kan ik geen moment zitten zonder gestoord te worden door die twee dotjes (lees vlerken) van kinderen. Zelfs als ik ze omkoop met snoep krijg ik nog geen momentje van ze om een blog te tikken, er moet op zijn minst onder mijn voeten gekieteld, op mijn nek geklommen of om me heen gedanst worden met vingers verstrengeld tot liefdeshartjes om hun aanwezigheid duidelijk te maken. Maar dat is nu verleden tijd.
Het begon tijdens de informatie avond op school waar de juf ons haar ‘niet storen’ ketting liet zien. Mijn ogen moeten uit hun kassen gepuild hebben van deze genialiteit. Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik dit niet zelf had bedacht.
De ketting an sich stelde niet zoveel voor, gewoon een kralenketting, maar het ging om de magie van het ding. Het was namelijk zo, legde juf uit, dat als ze deze ketting om haar nek had, niemand haar mocht storen. Geen kind. Bloed vormde de uitzondering, maar verder, wat er ook was, juf mocht niet gestoord worden totdat ze de ketting weer af deed. Ik hoor je denken ‘wie wordt daar nu blij van?' nou, ik dus.
En deze zondag, terwijl de kastanjes voor het oprapen liggen en de perenbomen nog zoete vruchten geven, besloot ik jufs idee eens voor mezelf te gebruiken. Voordat de bad mother tune ingezet wordt, wil ik ter verdediging opvoeren dat ik een kater heb, een half uur met de kids onder de douche heb gestaan en daarna een uur lang bezig ben geweest om alle krullen uit Aafs haar te föhnen, want ze wilde per se net zulk steil, lang haar als haar nicht Maxime. Nadat ik had toegegeven aan de schreeuw om pepernoten en voorstelde dat ze maar even zelf moesten gaan spelen met lego of puzzelen, tekenen, knutselen, kleien, buiten spelen, verven, my little pony-en (ja, dat is een werkwoord in dit huis), besloten zij dat er niets leuker was dan elkaar de hersens in te slaan. Met mijn hand tegen mijn voorhoofd gedrukt om tegenwicht aan het gebonk in mijn hoofd en daarbuiten te bieden, besloot ik dat ik mijn portie meegaande moederlijkheid weer gehad had voor vandaag.
Ik haalde een kralenketting uit de la tevoorschijn en zei met zware stem, en redelijk overtuigend (dat heb ik van César Millán geleerd, ‘je moet denken wat je zegt, anders geloven ze je niet’) dat dit een magische ketting was, net als die van de juf en dat als ik deze om zou hebben, ik niet gestoord kon worden.
‘Ook niet als we een probleem hebben?’
‘Nee, ook niet als jullie problemen hebben.’
‘En wat nou als we iets willen hebben?’
‘Je bedoelt in levensbedreigende zin? Als in dat je smelt als je niet meteen een snoepje krijgt?’
Gegiechel.
‘Jullie krijgen nog één ding en dan gaat ie om,’ zei ik streng.
‘Alleen bij bloed mogen we tegen je praten, toch mama?’ vroeg Aaf, die zich al op haar tekening gestort had.
‘Nee, Aaf, zelfs bij bloed wil ik niet gestoord worden.’
‘Ik wil een mandarijn,’ zei Sam snel. ‘Ik ook!’ riep Aaf.
Ik maakte een openingetje in twee mandarijnen en legde ze voor hun neus op tafel. Toen waggelde ik naar de keuken waar ik heel demonstratief de ketting omdeed. Het bleef stil. O mijn god, het werkte! Ik maakte een latte macchiato en sneed een plak cake af.
‘Oh, een plakje cake, lekker!’ hoorde ik Sam zeggen. ‘Voor wie is die, mama?’ Ik keek niet op, maar nam een hap als antwoord en wees naar de ketting. Toen ik daarop niets meer hoorde keek ik voor de zekerheid of alles wel in orde was, maar ze zaten gewoon te tekenen.
Ik liep naar de stoel en installeerde mezelf met mijn laptop, de koffie en de plak cake en begon dit zeer verlichte verhaal voor jullie op te stellen.
En precies bij het einde, nu dus, heeft de magie van de ketting zijn houdbaarheid verloren. Maar het waren dertig verdomd fantastische minuten, lieve luitjes!
 

Zomerdip

15 september, 2017
Met de zomervakantie lijkt in een klap ook de zomer voorbij. En hoe hartverscheurend dat ook is – voor iemand die zon nodig heeft om te kunnen ademen is dit pokkeweer gewoon om te janken – ik was er wel aan toe dat school weer begon.
Het is niet zo dat de vakantie verschrikkelijk was, integendeel, alleen zes weken is gewoon best lang. Op het eind wisten de kids niet meer wat ze moesten doen. Compleet uit hun ritme waren ze.
Iedereen in de straat was en masse vertrokken naar zonniger oorden, waardoor mijn arme bloedjes eenzaam tussen de steppenrollen doolden. Het leek wel een scène uit een western: Aaf the good, Sam the bad en ik gewoon ugly, in een verder uitgestorven spookstraat in het normaal zo roerige Haarlem Noord.
 
Zes lange weken verzorgde ik het entertainment en dat was, zeker nadat ik school een jaar lang omarmd had als tweede thuis voor mijn oudste, even wennen. Zelfs mijn naam was in de vergetelheid geraakt. Waarom ik ze ooit het woord ‘mama’ geleerd heb mag Joost weten, ik kon het niet meer hóren. Het was als het kuiken piep lied op repeat. Ik weet zeker dat als je kinderen aanleert om ‘Uwe majestueuze moederlijkheid’ in plaats van ‘mama’ te zeggen, je hooguit twee keer per vijf minuten geroepen wordt, maar daar moet je dan wel meteen bij de geboorte mee beginnen.  
Ik tref het ook niet dat mijn kinderen het concentratiespan lijken te hebben van een goudvis. Tien minuten lego en het is einde oefening. ‘Mama, mama, kom eens kijken?’
Een kwartier tekenen en ‘Mama,? Mama? Mama! Mama! Mahamaaaa!’
‘Ja…’
‘Hij is af! Kijk eens wat ik getekend heb. Mag ik kleien?’
Denk nu niet dat ik ondertussen stil heb gezeten: voor tien minuten legoplezier moet die hele doos omgekieperd worden. Als ze klaar zijn kan ik geen stap zetten zonder zo’n vierkant of langwerpig blok met nopjes onder mijn voeten te voelen, wat nog verdomd zeer doet ook. Als ik net het laatste stukje priegellego uit de zool van mijn voet heb gepulkt, zijn zij alweer uitgetekend. Ik sta nog de strepen van de tafel te boenen en die stiften weer op kleurvolgorde in het doosje te stoppen, terwijl zij rondjes om me heen rennen met Floodo en Loola, de glitteroogknuffeltjes in slaapzak, en vervolgens naar boven sprinten om de verkleedkist tot op de bodem leeg te halen.
Ik begrijp nu wel waarom ze stormen namen geven, want mijn mini mensjes laten als een kleine Harvey en baby Irma een ravage achter waar ze gaan.
Soms vraag ik me af of ik hier wel geschikt voor ben. Misschien ben ik gewoon meer een moedervogel-achtig type: ik vlieg uit om het eten te regelen, kom terug en kots met liefde die onophoudelijk piepende snaveltjes vol, om vervolgens weer de hort op te gaan. Als de kuikens slapen kruip ik het nest in en doe ik niets liever dan bij ze liggen om ze warm te houden.
Goed, Aaf was zelf ook aan school toe. Het uitslapen en doen waar je zin in hebt gaat op een gegeven moment vervelen, zelfs kinderen hebben een doel nodig. 
 
Inmiddels zitten we veertien dagen in het schoolritme en trekken we allemaal een beetje bij. We hebben de informatie avond gehad, de klassenmoeders zijn bepaald (aan die dans ben ik mooi ontsprongen) gymles, playdates, dansles, luizenpluizen, alles reilt en zeilt alsof het nooit vakantie is geweest. Alleen zit Aaf nu in groep 2, hoort bij de oudste kleuters en is al bezig met lezen en schrijven. Toen ze gisteren op de landkaart Italië aanwees moest ik bijna een traantje wegpinken. Ze wil weten wat oorlog is, vraagt hoe we weten hoe dinosaurussen er uitzagen, strikt haar eigen veters, regelt zelf limonade uit de koelkast, fietst al op een 16 inch fiets, telt tot honderd en meest recentelijk heeft ze een angst voor rimpels ontwikkeld. Dat was toen ik haar naar bed deed en ze vroeg hoe ik aan die drie groeven ter grootte van de wenkbrauwen van Bert op mijn voorhoofd kwam, vlak voordat ze me in de armen vloog en snikkend zei dat ze niet wilde dat ik oud werd en dood ging.
‘Ik ben vijfendertig!’ riep ik. ‘Ja, dat is heel oud,’ zei ze, terwijl ze de gigantische snottebel weer naar binnen haalde. Ze probeerde ons leeftijdsverschil op haar vingertjes uit te tellen, maar gaf het op na drie.
‘Maak je maar geen zorgen, moppie, we zijn maar sterrenstof. Dat ik je nu kan knuffelen is alles wat telt,’ zei ik in haar nekkie, waar ik wel tien keer per dag in snuffel om zoals ze nu ruikt in mijn geheugen te griffen.
Mijn meisje.
Volgend jaar wordt ze zes…
Man man, was het nog maar zomervakantie.
 

Haarlem Azz

1 september, 2017
God, wat heb ik een hekel aan op elkaar gepakt staan, zoals nu bij Haarlem Jazz. Als varkens in de rij voor de vrije uitloop. Er is altijd wel een hand die langs mijn bil schampt waarop dan een binnensmonds ‘sorry’ of gewoon een knipoog volgt. Het doet me denken aan die keer in een overvolle tram 4 toen ik de inschatting maakte er nog net bij te kunnen passen. Met mijn schooltas onder mijn arm geklemd, mijn ene hand om de ijzeren paal en mijn andere met de grote mobiele telefoon van weleer tegen mijn oor, stond ik te bellen met mijn eerste grote liefde. Ik ging zo op in het beschermen van mijn tas, me staande houden tijdens het rijden, de zweetlucht negeren en het voeren van het telefoongesprek op gedempte toon, dat ik pas laat door had dat er iets tegen mijn kont prikte. Ik schoof naar voren, maar het porren bleef. Toen ik mijn billen naar achteren duwde om de prikker van mijn territorium te verdrijven, veranderde het prikken in schuren. Met zijn gewicht duwde de swaffelaar me tegen de paal. Ik kon me geen millimeter meer bewegen.
In mijn vrije oor hoorde ik een haperende ademhaling.
‘Ieuw!’ riep ik, terwijl ik mijn haar in zijn gezicht sloeg en mijn hoofd afwende. Ik moest hier weg.
Omdraaien was onmogelijk, me loswurmen was ook geen optie, waar kon ik heen? Ik wist dat er een bocht zou komen, dus zette ik me af, liet me met de bocht mee vallen, waardoor de viezerik achter me bijna omviel. Maar hij herpakte zich snel. Ik moest naar CS, maar toen de deuren bij de Dam opengingen plantte ik mijn elleboog tegen zijn neus en sprong ik naar buiten.
‘Vieze vuile gore klootzak!’ schreeuwde ik op z’n Monnickendams, dat nog platter is dan Jordaans. Mijn vriendje aan de telefoon bescheurde zich toen ik hem dit verhaal vertelde. Er valt altijd te lachen om en met mij, maar ik voelde me echt vies en zwak. Ik kocht meteen zo’n handgripper en trainde mijn grijpkracht door de hele dag in dat ding te knijpen. Mocht me zoiets nog een keer gebeuren, dan zou ik die fallus verpulveren in mijn rechterhand, geen genade!
 
Nu sta ik hier met mijn achttienjarige nichtje klokslag middernacht op de Grote Markt naar Ronnie Flex te kijken. Je kent hem, van Drank & Drugs en Energie. Op zich maakt hij wel lekkere muziek, maar er valt geen jazz van te maken.
Met zijn opgeschoren haar in vlechtjes bovenop zijn hoofd samengebonden, zodat ze opstaan en op de muziek meedeinen als het rafelig uiteinde van een scheepstouw, doet hij me aan Ray Slijngaard van 2 Unlimited denken. De muziek houdt het midden tussen rap en reggaeton. Alhoewel mijn kont en ik waarde hechten aan privacy, laten we geen gelegenheid onbenut om te schudden en God verhoede te twerken, en meneer Flex maakt nu net van die nummertjes die de billekes in vervoering brengen.
Dat is waarschijnlijk dan ook precies de reden dat ik me bevind tussen opgewonden tienermeisjes en opgefokte tienerjongens in Moncler jasjes met bontkragen om de sfeer goed op te pompen.
Als we eenmaal staan, helemaal vooraan links van het podium, neem ik de mountain pose in. Yoga mag dan misschien nog niet helemaal gestript zijn van het geitenwollensok imago, het zorgt in ieder geval voor een goede balans waardoor ik als een onbeweeglijke rots middenin het gedruis overeind blijf.
En ja, hoor, als Drank & Drugs ingezet wordt, springt de hele meute op en neer en heen en weer, als een modderstroom op tilt. Je zou het niet verwachten, maar het zijn de tienermeisjes die het hardst duwen, die ruzie zoeken met de bontkraagjes die ik niet voor de poes houd. Merkbaar slaat de sfeer om. Dit kan twee kanten op gaan, óf het wordt een massale vechtpartij, of een orgie. Either way, ik moet mijn nichtje hier weg zien te krijgen.
Een ruzie sus ik, een paar opgefokte jongens met donker krullend haar die er door niemand langs gelaten worden, tem ik door mijn hand op hun schouder te leggen, ze langs me te loodsen en lieflijk te glimlachen. Terwijl ze verlegen teruglachen, slaat het in als een bom. Ik ben een übermoeke geworden!
Al die gefrustreerde gezichtjes, de onzekere blikken, de jongens die zich zo stoer houden, net zo goed als de meiden, zijn ineens precies dat; onzekere en vooral jonge jongens en meisjes. Kinderen. Ik kijk naar mijn outfit. Mijn God, ik ben een bejaarde!
En het is niet mijn schuld, ik kwam hier voor Haarlem Jazz, in het altijd brave Haarlem komen daar normaal gesproken brave burgers van vijfentwintig plus op af, met Chanel tasjes, gestifte lipjes en een wit wijntje in de hand, lachend tegen de in beige chino en overhemd gestoken heren die compleet uit de maat meedansen op soulfulle saxofoonmuziek. Er is hier geen jazz aan! Niemand wil zijn fallus tegen mijn kont duwen hier, ze zullen wel twee keer nadenken! Mijn wijnglas is nog nooit zo leeg geweest. Paniekerig kijk ik om me heen, het wijninfuus ligt aan de andere kant van de myriade. Terwijl Ronnie Flex er een eind aan breidt, grijp ik M. bij de hand en zeg ik dat we hier weg moeten zijn voor iedereen doelloos over het plein gaat dwalen.
Ze zweeft volmaakt gelukkig naast me. ‘Echt cool van je dat je mee ging!’
Ik loop langs de wijnkar en besluit thuis een hele fles soldaat te maken en een protestmail te sturen naar de organisatie van dit Jazzfestival dat geen klote meer met jazz te maken heeft. Volgende keer ga ik naar een 80’s & 90’s revival party.  
 
 

Mode slachtoffer

12 augustus, 2017
Laatst zag ik een petitie voorbij komen op facebook tegen de milieuvervuiling die bedrijven zoals H&M en Zara veroorzaken met de grondstoffen voor productie van hun kleding. Dit artikel was voornamelijk gericht op viscose, wat ook een smerige aangelegenheid is qua vervaardiging.
Er stond een foto bij van een verdrietig kijkend meisje met de tekst ‘I’m the real fashion victim’, om ons westerlingen met ons oneindige empatisch vermogen over te halen te tekenen en zo H&M en Zara te manen om bij hun stoffenleveranciers, maar eigenlijk alleen die van viscose, te eisen dat ze de viscose op een duurzame en niet milieuvervuilende manier produceren. 
Ik vind dat bijna net zo kortzichtig als janken om de verbrandingsdood van 24.000 varkens, maar vervolgens wel lekker je tanden in een tosti ham/kaas zetten. 
 
Mijn vader heeft veel van die textielfabrieken van dichtbij gezien tijdens zijn reizen door het verre oosten.
Hij heeft me weleens verteld dat hij een fabriek binnenstapte en kinderen aan het werk zag. Toen hij de agent opdroeg de productie stil te leggen, begeleide die hem naar zijn auto en reed hem naar een vuilstortplaats, waar mijn vader door geblindeerde ramen naar de kinderen kon kijken die daar met hun eigen uitwerpselen zaten te spelen. Geen enkele toekomst hadden deze kinderen, dat doorbreken als westerling was onbegonnen werk, zei de agent, wat westerlingen wel konden doen was ze werk verschaffen. Het was kraaltjes rijgen en bij papa en mama blijven wonen of de prostitutie in en papa en mama nooit meer zien.
Sindsdien begrijp ik dat het allemaal veel gecompliceerder is dan ik dacht.
En later, toen ik zelf productie moest controleren in Turkije, zag ik met eigen ogen hoe de verfstoffen en chemicaliën die gebruikt werden voor de wassingen van jeans rechtstreeks in het afvoerputje geloosd werden, hoe moest het ook anders? Geld voor duurzame oplossingen was er niet, want de eindconsument wilde niet meer betalen voor een spijkerbroek.
In Mersin zag ik Syrische kinderen langs de kant van de weg zitten terwijl hun ouders bedelden bij iedere auto die langsreed. Onze leverancier stopte om de haverklap om ze geld te geven. ‘Ik mag ze van de overheid niet in dienst nemen in mijn fabriek, want officieel zijn ze hier niet, maar ik kan kinderen en hun ouders toch niet hier zo op straat laten verhongeren?’ vertelde hij. Mijn hart brak.
 
Instanties als BSCI, of keurmerken die zogenaamd garanderen dat alles maatschappelijk verantwoord, ecologisch, biologisch en weetikveelwatvoorlogisch geproduceerd wordt knijpen oogjes dicht waar het loont, hoorde ik van dezelfde leverancier. En anders worden ze voor het lapje gehouden door productiebedrijven die als decor dienen, waar alles er gelikt uitziet, maar waar alleen de kleine orders geproduceerd worden, de grote gaan allemaal via de achterdeur naar subcontractors, waar niemand de adressen van weet en waar niemand van wil weten wat daar gebeurt.
En laten we het over de productie van grondstoffen zoals katoen al helemaal niet hebben, dat moet zo massaal verbouwd, bespoten, bemest, bewaterd en daarna bewerkt worden, dat er simpelweg niets ecologisch meer aan is.
 
Het probleem begint niet bij die ketens. Het probleem begint bij ons.
Wij xennials en millenials zijn gewend alles te krijgen wat we willen voor een zo laag mogelijke prijs. Voor ieder wissewasje is er een gadget, voor ieder probleem is er een hapklare oplossing en voor iedere gril is er een mode.
Bedrijven draaien overuren om aan onze wensen te voldoen, lees hier een artikel over hoe bedrijven tegen elkaar moeten opboksen voor nog snellere Fast Fashion.
Zolang er een vraag bestaat zullen bedrijven er alles aan doen daar in te voorzien en dát is nu precies wat we moeten doorbreken.
 
Als we niet meer willen dat mensen in andere landen lijden door bedrijven als H&M en Zara, dan moeten we beginnen met zelf niet meer zo veel te willen.
 
 

Mens, erger je niet

29 juli, 2017
Gemeente Amsterdam voert een genderneutraal communicatiebeleid in, de NS gaat de term ‘Dames en heren’ niet meer omroepen op het station, 'blanke mensen' moet 'witte mensen' zijn, Canada heeft de eerste baby zonder geslacht op het paspoort en zwangere vrouwen kunnen we beter 'zwangere mensen' noemen. 
Het is tegenwoordig verdomd moeilijk om 'te zijn' in een maatschappij waar politieke correctheid en de fobie voor het al dan niet intentioneel kwetsen van anderen de boventoon voert.
Straks mag er geen nationaliteit (ik ben een wereldburger), geen geboortedatum (ik ben zo oud als ik me voel) en geen naam meer in een paspoort staan, want ook je naam is een onderdeel van een identiteit die je niet zelf gekozen hebt.
Ik vraag jullie, schieten we daar nu werkelijk iets mee op?
Denk je eens in hoe ontzettend lastig het zal zijn om je baby wiens geslacht en naam nog niet genoemd mag worden in te schrijven voor de kinderopvang en de basisschool:
Het kind Jansen, geboren op 28 juli puntje puntje puntje te puntje puntje puntje willen we graag aanmelden op kinderdagverblijf de Tismewat...
‘Helaas, mens, we hebben al een kind Jansen…’
Wat krijgen we dan? Nummers? 
Een argument voor al dit ongemak is dat een kind niet in stereotypes gedwongen zou moeten worden. Een meisje wordt (al dan niet bewust) door ouders gestimuleerd om een meisje te zijn en een jongen om jongen te zijn. De nieuwe Sire campagne die aanmoedigt dat we onze jongens weer jongens moeten laten zijn ondermijnt dit argument al, maar het is mij ook nooit opgevallen dat baby’s naar geslacht behandeld worden; Anwar krijgt op de crèche net zoveel melk als Mientje, ligt naast Mientje in de slaapzaal en krijgt evenveel aandacht van de juf. Op school krijgen jongens en meisjes hetzelfde onderwijs, er zijn geen aparte toetsen voor jongens of meisjes, geen aparte lokalen, ze zitten naast elkaar in de kring, mogen spelen waar en met wie ze willen. Dat er sociale druk is zal ik niet ontkennen, maar die los je niet op door de verschillen weg te nemen, maar juist door ze bespreekbaar te maken.
De rest is marketing. Al die roze en blauwe troep, ik snap dat het stereotyperend is, maar er zijn nu zo veel alternatieven dat kinderen toch wel kiezen wat ze zelf willen. En geloof me, als een kind iets per se wil, dan krijgt het dat tegenwoordig. Op sommige momenten treft het me dat ik niet meer ben dan hoofd van de hofhouding van twee kleine keizers. En lakei van mijn katten. 
 
Vroeg ik me ooit af wat de grondleggers van het filosofisch denken van ons zouden vinden, bezien vanuit hun luie zetel daar ergens in hogere sferen, nu vraag ik me eigenlijk alleen nog af hoe Alex de papegaai ons aanschouwt.
 ‘Jordana, dombo, wat doet het er toe hoe je iets of iemand noemt?' zal hij denken. 'Ze noemen mij Alex de papegaai – een papagáái! Voordat ze me zo noemden wist ik niet eens wat dat was – maar ík weet wie ik ben.
Jullie zijn zoogdieren met een identiteitscrisis die een beschaving gecreërd hebben, en nu ontkomen jullie niet aan de problematiek die daarmee gemoeid is.
Eerst moesten jullie verschil maken, nu willen jullie het weer wegnemen? Jullie bedachten termen voor licht en donker, zwart en wit, goed en kwaad, arm en rijk, dier en mens, dik en dun en bestempelden ze als antoniemen, maar wie zegt dat er tegenstrijdigheden zijn? Kan het een bestaan zonder het ander? Kan je immers niet alleen licht ervaren als je donker kent en andersom? Leer je niet pas wat goed is door kwaad te kennen? En dan nu de hamvraag, wat voegt het toe om te weten wat je bent? 
Het gaat om wie je bent in de tijd die je gegeven is, want aan het eind zijn we allemaal, zoals jullie mens David Bowie al wist, stardust
Hier, https://youtu.be/rNYdCk5nMzc een van jullie eigen kinderen kan het je uitleggen. 
Stop met zeiken en leef gewoon. Ga iets nuttigs doen, red mijn regenwoud! Lorre.’
 
Maar wie luistert er nu naar een papegaai? 
 

Portuniks

16 juli, 2017
Het is 27 graden, een licht briesje speelt met mijn haren, twee Portugese jongens voetballen op hun balkon, in het diepe van het zwembad gooien een stel pubers met hun ouders een bal over, in het ondiepe spelen twee Belgische meisjes pakkertje met hun vader en daar vlak naast drijft Aaf aan haar knaloranje zwembandjes met haar nieuwe vriendinnetje die uit Vleuten komt. Haar andere nieuwe vriendin, Laura, is de dochter van de eigenaar van Galo d’ouro, het fijnste restaurant van Pêra, maar haar zien we alleen 's avonds.
Sammetje heeft zes dagen koorts gehad en is eindelijk opgeknapt – nu alleen zijn humeur nog. Rubin ligt naast me in de ligstoel te werken (hij denkt dat ik dat niet zie) en ik lig van onder de parasol op mijn IPhone deze zeer verheven anekdote voor jullie te tikken.
 
Al kan ik nog zo aan vakantie toe zijn, ik kom zelden tot rust tijdens onze gezinsvakanties. Het is vaak een verlengstuk van stress, met een kleuter en een peuter die niet zwemmen kunnen. Maar ik moet zeggen dat ik nu voor het eerst in jaren even achterover kan leunen, het moment kan voelen en misschien zelfs wel een beetje indommel af en toe. Het mag ook gerust een wonder heten dat ik Lolita, mijn favoriete boek waar ik zes weken geleden voor de tweede keer in begon, hier binnen drie dagen uit had.
Misschien komt het doordat de kids iets groter zijn, en dus zelfstandiger, of misschien komt het door Portugal.
Zodra de schuifdeuren van Faro aeroporto zich namelijk achter me sloten, voelde ik me weer net als toen ik hier was als klein meisje. De koele wind blies diezelfde geur van vijgenbomen en olijfbomen vermengd met het zilte van de zee over mijn huid, de zon straalde hoog in de lucht als een warmtegevend anker dat al die jaren vastgeroest op zijn plek heeft gezeten.
Alles wat de senhor achter de balie van het autoverhuurbedrijf in het onverstaanbare, maar prachtige Portugees tegen me zei, kon ik wel meeneuriën – met een taal die klinkt als een sambalied is het misschien wel logisch dat de haast deze contreien nog altijd ongemoeid heeft gelaten.
Nog voordat ik de auto instapte begon mijn brein al met het ontwarren van de door drukte en stress beknelde zenuwen, als de kleine knoopjes in het touwtje aan de plissé gordijnen in de erker van mijn woonkamer.
Het zou een mooie slogan kunnen zijn: ‘Portugal trakteert u op een gewichtloos gemoed binnen een minuut.’
Maar misschien heb alleen ik dat.
Ik ben een sucker voor die pittoreske vissersdorpjes met hun gestuukte witte huisjes, kleurrijke tegeltjes en felgekleurde raamkozijnen. De vervallen pandjes, het dorre landschap afgewisseld met lappen groen en palmbomen.
Schoonheid zit 'm hier in de lelijkheid, want wie bij achenebbisj uitziende restaurantjes naar binnen durft te stappen, zal verrast worden door het heerlijke eten en de ongekende vriendelijkheid van de mensen.
 
Hier op mijn luie stoel denk ik nu al met weemoed terug aan deze vakantie:
De reis op de veerboot van Olhão naar Ilha da Armona, een zandeiland in een natuurgebied, met prachtige parelwitte stranden, uitgestrekte panoramaviews van de zee, heerlijke restaurantjes en bovenal: weinig toeristen. Een plek waar de tijd niet komt.
En dan het eten in de haven van Ferragudo, met Portimão aan de overkant en verder niets dan zee. De kleine straatjes aldaar, gevuld met winkeltjes, het kantoor van Bakelaar de makelaar, gezellige barretjes en de leuke speeltuin voor de kinderen.
De overheerlijke lunch op het dakterras van Mar d’Estórias, in een historisch pandje in Lagos. Dwalen langs de boulevard met de vele marktkraampjes en de verrukkelijke vis die we aten bij Tasca da Lota in de haven van Lagos.
Banjeren door Silves, een Fado concert bijwonen in een koffietentje aan de voet van het kasteel en onze buikjes bol lunchen bij Marisqueira Rui.
Heerlijk toeven op Praia da Rocha, Praia da Marinha en kijken naar de vissersbootjes op het strand van Armaçao de Pêra. Daar blijven hangen en dineren bij Arte Náutica Beach restaurant, of een stukje goedkoper, minder hip maar absoluut niet minder lekker, bij casa de Pasto Zé Leitero.
En ik verlang ook al bijna mistroostig terug naar het moment van nu, lekker luierend bij het zwembad, met de voetjes in het gras…
 
En terwijl ik dit stukje typ en nadenk over wat ik nu eigenlijk wil zeggen met dit verhaal, besef ik dat dat het precies is. Niks. Dit verhaal gaat nergens over, en dat is nou juist zo lekker aan vakantie.
 

Moe, moe-der, moest

1 juli, 2017
Lang geleden toen mijn gezicht nog geen lijntjes vertoonde, mijn buik nog glad was, mijn borsten pront waren en mijn haren dertig centimeter langer, in een toren van 51 vierkante meter woonoppervlak in een land dat Amsterdam heette, hadden Rubin en ik het druk. Druk, druk, druk, druk, druk.
“Kunnen jullie dit weekend afspreken?”
‘Neuh, veel te druk.’
Ik werkte van negen tot negen, kwam thuis, flanste iets simpels te eten in elkaar, ging uit eten of haalde sushi, had seks of knipte de TV aan en zat binnen vijf minuten verstrikt in een aflevering van Sex and the City. Op mooie zomeravonden picknickten we in het Amstelpark of vond je ons op een terras. Ieder weekend kwamen er vrienden of aten we bij vrienden.
Man, man, wat waren we beschäftigt.
Nu, in het jaar tweeduizend en wie houdt dat nog bij tegenwoordig, liggen de zaken wel anders.
Werkdagen zijn van zeven tot negen, ook in het weekend. De enige vrije tijd die ik heb is op kantoor, en ‘s avonds na negenen.
Nachten zijn gevuld met babyvoedingen en darmkrampjes, later nachtmerries en bedplassen.
Nog voordat de wekker gaat staat een van de twee aapjes al de deken van mijn hoofd te trekken. Na een grote ochtendknuffelpartij (die me genoeg kracht geeft voor alles wat komen gaat) volgt de aankleedstrijd. Die gaat zo: ik wil dat ze zich aankleden, zij niet.
Als ik klaar ben met mijn Denzel Washington onderhandeling à la The Siege – hij lult gegijzelde kinderen uit een bus, ik moet ze in hun kleren zien te kletsen – is het ontbijten, lunch maken en kids wegbrengen.
Als ik op mijn werk kom kruip ik naar het koffie-infuus, na een slok huppel ik naar mijn bureautje, klaar om ongestoord aan de slag te gaan.
Een gesprek zonder iedere seconde geïnterrumpeerd te worden, al is het een prijsdiscussie met een leverancier, is een verademing.  
In de auto terug zet ik de muziek hard, blèr ik  mee, maak ik plannen om weer eens naar een jamsessie te gaan, een cursus te volgen, een boek te lezen. Met de kids even later op de achterbank gaat mijn feestje nog even door. Totdat het bedtijd is.
Het bedritueel is ongeveer gelijk aan de ochtendritus, ware het niet dat ze nu juist hun kleren niet meer uit willen (ja, je bedenkt het niet, hè). 
Tegen de tijd dat ik beneden ben, dat mag pas na het boekje lezen, het extra verhaaltje, nog een extra verhaaltje, twee liedjes, toch nog even plassen, misschien ook nog even poepen, de favoriete knuffel opduikelen en nog een slokje water, zijn de plannen die ik in de auto heb gemaakt niet alleen verdampt, ik kan me überhaupt niet meer herinneren dat ik in die auto heb gezeten.
Rond half negen is het etenstijd. Soms lukt het ons nog om een gesprek te voeren. Na het eten volgt een miraculeuze opleving (het zullen de koolhydraten zijn) waardoor de extreme vermoeidheid iets gaat sluimeren. Iedere keer zeg ik dan tegen mezelf dat ik naar bed moet, maar het is toch zonde dat ik dan helemaal geen avond heb? Meestal win ik de discussie van mijn verstandige zelf en kijk ik tot half één mijn favo Netflix serie of doe ik andere nutteloze dingen die me het valse gevoel van voldoening geven. Het resultaat is dat ik ’s ochtends mijn bed bijna niet meer uitkom, woorden soms niet over mijn lippen krijg,  ik een geheugen heb van een tachtigjarige (min het lange termijn geheugen) en dat ik weinig geduld heb. Chronische oververmoeidheid, het bekruipt je, neemt bezit van je en laat je niet meer los.
En hoewel ik soms verlang naar de dag dat de kids zegevieren in hun eigen toren, wil ik niets maar dan ook helemaal niets missen van ieder moment dat ik samen met ze heb. Het is alsof ze me vermoeien en energie geven tegelijkertijd. Als Rocky in de boksring die neergeslagen en weer opgepept, bijna KO gaat en weer opgelapt wordt.
Niemand kan je op dit fenomeen voorbereiden en niemand kan ook begrijpen waarom je dit met een gelukkig gevoel doorstaat.
Het blijft een grappig iets, het ouderschap.
 

Bieberboom

23 juni, 2017
Ik plant een boom, omdat ik op een mooie woensdagmiddag, in een drukke winkelstraat, van een aantrekkelijke jonge knul een klein geel zakje met zaadjes in mijn handen geduwd kreeg.
‘Wilt u een cadeautje?’ vroeg hij triomfantelijk, terwijl hij zijn Justin Bieber lok nonchalant naar achteren zwiepte.
‘Eh… Nou, bedankt,’ zei ik. Ik wilde het al in mijn tas stoppen en doorlopen, maar Bieberlicious liep met me mee.
‘Weet u wat er in zit?’
Ik haalde mijn schouders op en bekeek het zakje vluchtig.
‘Zaadjes van bloemetjes, voor de bijtjes? Robinia Pseudoacacia…’ las ik op.
‘Weet u wat dat is?’
Ik zag een boompje met daaronder de tekst ‘Een groene toekomst begint altijd klein. Plant mij en ik groei uit tot iets groots’.
‘Het is een boom.’
‘Ja, maar weet u, dit is niet zomaar een boom.’
‘O, nee?’
‘Deze boom neemt de meeste Co2 op van alle bomen! En hij wordt groot en prachtig groen. Met deze boom in uw tuin compenseert u dus Co2 uitstoot.’
Had hij mijn tuin weleens gezien? Een postzegel!
‘Bent u een beetje milieubewust?’ vroeg hij met gefronste wenkbrauwen. ‘Ik zie dat u een bakfiets heeft, dat is mooi, want dan gaat u in ieder geval niet met de auto.’
Het begon nu toch best warm te worden, zo in die felle zon, midden in die drukke straat.
‘Of heeft u wel een auto?’
Ik knikte schuldbewust.
‘Een elektrische?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Rijdt u er veel mee?’
‘Neu…’ Ik moest echt weg daar, voordat ik verstrengeld zou raken in weer een andere milieuorganisatie die maandelijks mijn bankrekening leegzoog. Door Artsen zonder Grenzen stond ik laatst ook al in de min…
‘En in uw huis? Als u uzelf een cijfer moest geven voor hoe milieubewust u leeft, wat zou dat cijfer dan zijn?’
‘Een acht,’ floepte ik eruit om er vanaf te zijn.
Hij grinnikte.
‘En waarom denkt u dat?’
‘Omdat ik geen vlees eet en bijna geen melk drink. En ik kook elektrisch.’
Tot mijn genoegen volgde er een instemmend geknik.
‘En stroom? Gebruikt u groene stroom?’
Geen idee, Rubin had dat abonnement afgesloten.
‘Volgens mij wel.’
‘Wie is uw energieleverancier?’
‘Eh… Iets met een E…, volgens mij is het Essent.’
Nu begon de Bieberbonenstaak te bulderen van het lachen. Hij liet me een lijstje zien van de consumentenbond waarop Essent helemaal onderaan stond als minst ‘groene’ stroomleverancier.
‘O, nou, misschien was het dan toch Eon.’ Maar ook Eon stond laag in de ranglijst.
Dit kon toch niet waar zijn? Ik checkte mijn bankapp en kwam erachter dat we bij Oxxio zaten. Al net zo slecht!
‘Dat vind je grappig, hè?’ verweet ik hem semi serieus.
‘Ja.’ Hij veegde de tranen uit zijn ogen.
‘Nou, ik plant die boom van jou wel.’ Ergens…
Gebukt onder het juk van een stinkende, wereldvervuilende kolencentrale wilde ik nu echt afdruipen.
‘Wacht even, ik heb me nog helemaal niet voorgesteld! Ik ben Joeri.’ Hij stak zijn hand uit. ‘Ik ben van Qurrent, en wij zijn de nummer 1 groene stroom leverancier van Nederland.’ Een heel verhaal volgde en ik weet niet wat me ertoe bewoog – de manier waarop hij vertelde over Stichting Doen en het voorkomen van ontbossing, zijn enthousiasme voor het verbeteren van het klimaat, of gewoon zijn hele voorkomen – maar niet veel later vond ik mezelf met zijn tablet in mijn handen, terwijl ik braaf al mijn gegevens invulde. Zo gaat het dus altijd met mij en straatverkopers, iets wat  Rubin tot waanzin drijft als hij met mij op stap is.
Ik moest alleen nog het vakje ‘Ik ga akkoord met het betalen van een boete voor het vroegtijdig beëindigen van mijn contract bij mijn huidige energieleverancier’ aan te vinken en dan mijn handtekening zetten.
Ik gaf hem zijn tablet terug. Dit kon ik niet tekenen. Rubin had net een zakelijk contract afgesloten en een boete voor het vroegtijdig opzeggen daarvan zou zomaar €1000 kunnen zijn.
Joeri begon te zweten en ik kon me niet heugen ooit zo’n beteuterd gezicht te hebben gezien. Die dingen gaan natuurlijk op naam en hij had zo zijn best gedaan om me binnen te halen… We namen afscheid en ik, de grote milieuvervuiler en teleursteller, een hoopje slecht mens, ging op huis aan.
 
Dus heb ik vandaag de tuinhandschoenen aangetrokken en die zaadjes geplant. Over een paar jaar prijkt er een gigantische Robinia Pseudoacacia in mijn mini-tuin. Met de groeten van Joeri Bieber.
 

Tongen

11 juni, 2017
Het is stil. De kinderen zitten als twee Duracel konijntjes waarvan de batterijen ogenschijnlijk leeg zijn, onderuitgezakt op de bank Paw Patrol te kijken.
Ik sluip naar de keuken, pak een bruin biertje uit de koelkast, een opener uit de la en tijger naar de tuin. Zachtjes laat ik me in mijn lounge ei vallen en plop het flesje open.
Het laatste zonnetje van de dag heeft het kussen voorverwarmd. Als ik mijn benen optrek, mijn hoofd achterover gooi en mijn ogen sluit voel ik me in dit ding zo geborgen als een baby in de baarmoeder.
Ik neem een slokje en zak nog dieper weg in het kussen.
Voetstappen.
‘Mam?’
Aaf klimt in de stoel waardoor ik bijna gelanceerd word.
‘Aaf! Je bent toch Paw Patrol aan het kijken?'
‘Nee, ik ben hier.’
Ze haalt haar schouders op.
‘Waarom ga je niet nog even lekker televisie kijken, we gaan zo naar boven...’ probeer ik, maar ik weet al dat het hopeloos is. Ik zet het flesje op de grond en til haar op mijn schoot.
Ze kijkt me recht aan en zegt: ‘Weet je, ik zag gisteren twee meisjes op de gang en die stonden met hun tongen tegen elkaar.'
‘Wat zeg je nou?’ Mijn rechterwenkbrauw moet mijn kruin wel bijna raken. 
‘Ik zag twee meisjes met hun tongen tegen elkaar.’
Even lijkt het alsof de zon tussen de daken van de huizen tegenover ons heen en weer getrokken wordt, alsof er hevig gestreden wordt om haar licht.
‘Bedoel je dat ze aan het tongzoenen waren?' Foute vraag. 'Waar zag je dat, Aaf?’ vraag ik snel, voordat ik moet gaan uitleggen wat tongzoenen is.
‘Op school.’
‘Op school?!’
Ze knikt en lijkt me te peilen. Waarschijnlijk hebben mijn uitpuilende rechteroog en mijn samengetrokken linker me verraden.
Het beeld van wild tongzoenende kleutermeisjes in de gang van de basisschool waar ik mijn dochter vijf dagen per week heen breng, bedekt mijn netvlies. Wat is het volgende? Orgies in de klas?
Ik was van plan het gesprek over de bloemetjes en de bijtjes uit te stellen tot haar achttiende verjaardag – nou oké, misschien is dat wat utopisch gedacht, maar de brugklas dan, op z’n vroegst.
Ze wordt maandag vijf, vijf! Hoe oud kunnen die meisjes in die gang nou helemaal geweest zijn?
Ik weet heus wel dat kinderen er tegenwoordig steeds vroeger bij zijn, maar in de kleuterklas al?
Ik kijk naar Aaf, die een pluk haar achter haar oren stopt en heen en weer wiebelt op mijn schoot.
Ze is de onschuld zelve. Haar ogen zijn glanzend blauwgroen en sprankelen, als iedere dag, van enthousiasme. Ze zuigt het leven op alsof het een elixer is van pure chocolade en stuitert onvermoeibaar rond op die steeds langer wordende beentjes van haar.
Er is niets mis met openbare affectie, met tongzoenende mensen van hetzelfde geslacht. Net zoals er ook niets mis is met aan jezelf friemelen, dat heb ik haar ook al eens gezegd. Als ze het maar doet in haar eigen bed, waar niemand het ziet.
Zou ze alles wat ik nu zeg al registreren en opslaan voor later? Als ik zeg dat tongzoenen niet mag, wat voor signaal geef ik dan af? Als ik zeg dat het oké is, wat leer ik haar dan? Staat ze dan morgen zelf op de gang te bekken met haar bestie?
Ik sluit mijn ogen en probeer de warmte te voelen van het reepje zonlicht dat ontsnapt is aan het duel tussen de daken.
‘Dat kan toch niet, mama?’
Dit is het moment. Nu moet ik iets zeggen. Maar wat?
‘Ik bedoel,’ vervolgt ze onverstoorbaar, ‘dat is toch heel vies? Daar krijg je toch enge ziektes van?’
Voordat ik het besef knikt mijn hoofd al wild bevestigend.
 ‘Ja, verschrikkelijke ziektes. Van uitvallende tongen tot rottende tanden…’ hoor ik mezelf zeggen.
'Dat dacht ik al.' Ze springt van mijn schoot af en huppelt weer naar binnen.
Ik pak mijn biertje en neem een grote slok.
 

Eenheidsworst

3 juni, 2017
‘Je moet een beetje gek zijn om in deze branche te werken’ zei iemand ooit tegen me toen ik begon met werken in de confectie, en mijn vader mopperde vroeger dikwijls dat je altijd zo goed bent als je laatste order in deze business. En zo is het.
Behalve het weer is er niets zo onvoorspelbaar en zo grillig als de mode.
 
Je zou denken dat een korte termijn private label producent voor grote winkelketens juist bestaansrecht heeft in tijden waarin de trend buy now wear now regeert, maar het bedrijf waar ik voor werkte overleefde de faillissementen van winkelketens als Miss Etam en V&D niet.
Ik weet nog goed hoe het voelde om zeven jaar werk, samengevoegd in zeven Leitz ordners, in de prullenbak te kieperen. Als een geplukte kalkoen waren niet alleen die mappen, maar het hele bedrijf op het laatst pijnlijk kaal.
Men weet het aan het weer (de zomers lieten te lang op zich wachten) de uitverkoop (ketens mochten het hele jaar door uitverkopen), het internet, de prijs, de kwaliteit en de collectie die gebracht werd, maar ik geloof niet meer dat het daar aan lag.
Jarenlang poogde ik de consument te vatten die om onverklaarbare redenen ineens niet meer bij onze klanten kocht. Ik zocht haar in winkels, bestudeerde haar leefwijze, bekeek de verkopen bij vergelijkbare ketens via internet, maar vond niet waar ze haar geld nu aan uitgaf. Er vond geen verschuiving plaats, de zak met geld werd niet van de ene toonbank op de andere neergezet. Hij leek verdampt. Op.
Maar niets is minder waar. En ik kan het weten, want ik ben zelf die consument geworden.
 
Als mak schaap van de wegwerpmaatschappij heb ik alles wel zo’n beetje weggeworpen, niets is meer verrassend.
Ik ben op de hoogte van de trends, lees de bladen, vul continu mijn Pinterest stijl wandje aan, maar shop maar eens in de twee, drie maanden in hooguit vier winkels mijn outfit en die van de kinderen bij elkaar.
Niet omdat ik niet van winkelen houd, ik heb er gewoon de tijd en het geduld niet meer voor.
Vier dagen per week werk ik en op de overige drie ben ik met de kinderen.
Buiten dat ik de tijd en het geduld niet heb, weet ik ook niet meer waar ik alles moet laten. Ik heb zakken vol afgedankt speelgoed, kabels en apparatuur die gedateerd zijn, kinderkleding die te klein is en zalfjes en smeerseltjes die ik niet meer gebruik. Vroeger zou ik dat weg hebben gegooid en gewoon weer doodleuk nieuw hebben gekocht. Nu geef ik alles wat ik overhoud aan vrienden en familie of zet ik het op de site ‘gratis op te halen in Haarlem’. Als je eens scrollt op zo’n facebookpagina dan zal het je verbazen wat mensen weggeven. Je wordt verdomd blij van mensen die dolgelukkig zijn met jouw gebruikte spulletjes. En andersom werkt het ook: kinderkleding en speelgoed krijg ik vaak van vrienden, buren en familie.
Daarom begin ik me steeds meer af te vragen waarom er maar massaal wordt bijgeproduceerd. Is het niet duidelijk dat het aanbod vele mate groter is dan de vraag?
En zijn veel mensen niet, net als ik, het koopziek-zijn beu?
 
Nu is er weer een Nederlandse keten die het moeilijk heeft. De Blokker.
Bij BNR Spitsuur werden Leen Bakker, Xenos en Big Bazar (de bedrijven die Blokker in de verkoop zet) onder de loep genomen. Allemaal kampten ze volgens het panel met een licht imagoprobleem. Door ieder van hen zal een bezem moeten worden gehaald, maar an sich was er met de formules en de locaties van de winkels niets mis, werd er gezegd.
Maar er is natuurlijk van alles mis met het massaal inkopen van artikelen voor een lage prijs en hopen dat de omloopsnelheid ooit weer zo hoog zal worden als vroeger. Zelfs de Action, aldus datzelfde panel, ziet geen groei meer in Nederland, dat zegt genoeg.
Het middensegment ligt compleet op de schop en langzaam gaat het verlies nu ook aan het hoog –en laagsegment knabbelen. Mensen zoals ik zijn op zoek naar duurzaamheid, dankbaarheid en beleving, niet meer naar massa en eenheidsworst.
 
Wat mij dan wel zou bewegen om te gaan shoppen? Een warenhuis zoals wijlen V&D, maar dan met een kinderspeelruimte en opvang in de kelder (denk aan Småland van Ikea). Een boeken afdeling met een loungecafé waar je op je gemak door de boeken kunt bladeren, met een aparte voorleeshoek voor de kinderen. Een speelgoedetage met een speelotheek (waar je speelgoed huurt voor een bepaalde periode). Een verdieping waar je je telefoon, computer of andere apparaat kunt inruilen bij het kopen van een nieuwe. Een parfum en make up afdeling met een visagist, een wellness etage waar je je kunt laten masseren. Een kledingafdeling waar ze, naast nieuwe kleding, ook vintage kleding verkopen en een interieur afdeling met nieuwe en tweedehands artikelen.
Dat lijkt mij nou echt het einde.
Maar goed, we leven in een markt die door grote multinationals gedreven wordt, en ik ben slechts een luis in de pels van de spitsmuis in hun speelveld.
 

Bakfiets

26 mei, 2017
Er zijn zoveel dingen die ik niet had gedacht ooit te zullen zeggen. ‘Niet met die kwal gooien!’ ‘Niet schilderen met vogelpoep!’ of ‘Oké, peuter dan in godsnaam maar in je neus en vreet het op, als je nog zo’n honger hebt,’ om maar wat te noemen.
En ook behoorlijk wat dingen die ik nooit had gedacht te zullen doen, zoals in het openbaar ruiken aan de in broek gehulde billen van mijn kind, mijn borst uit mijn voedingsbeha halen in een vol restaurant, een testrit maken met een kinderwagen op verschillende ondergronden en op een bakfiets fietsen.
Als je niet een kort pittig kapsel moeder was, dan was je bakfietsmoeder en ik, zoals ik met alles placht te doen, mikte op de gulden middenweg. Mijn haar liet ik halflang knippen en ik kocht een fiets met kinderzitje.
Maar vandaag moet ik jullie mededelen, mijn welgeërde lezers en lezeressen – en ga er lekker voor zitten, want dat doe ik ook, het kwik tikt hier zachtjes tegen de 30 graden en de wijn vloeit rijkelijk in mijn lounge ei die ik recentelijk aangeschaft heb voor een prikkie bij een bouwmarkt – dat de hemel zich opende, gouden zonnestralen op me liet neerdalen, een goddelijk briesje door mijn haren joeg en mijn vestje hard liet wapperen terwijl ik de duinen in tweeën spleet als een Jozes met mijn bijna dertig kilometer per uur rijdende bakfiets. En voor de beeldvorming voeg ik daar aan toe dat zich twee kinderen, een strandtas, een zak met eten, het nodige aan strandmateriaal en een zielsgelukkige vrouw van om en nabij de zestig kilo in en op die bakfiets bevonden.
Ja. De een wordt gelukkig van een tripje naar Stockholm om zijn voetbalteam te zien verliezen, de ander is in extase van een door een lithium batterij aangedreven bakfiets, verschil moet er wezen. En verschil, lieve mensen, is goed voor de diversiteit die volgens de Jessianen en kompanen o zo ver te zoeken is in de lage landen tegenwoordig.
Goed. Nadat we het vakje ‘voortplanting’ koud drie maanden hadden afgevinkt, kwamen we bij ‘voortbeweging’. Het was juli 2014, de zon scheen, de files naar het strand waren eindeloos en we wilden op de fiets met onze spruiten. Een baby in een draagdoek op de fiets leek ons doodeng en gevaarlijk, en in een maxicosi achterop de bagagedrager vond ik niets. Het zou me gebeuren dat ik een meter vooruit stoof, maar de maxicosi nog op de plek bij het stoplicht zou staan! Of dat de baby zo heen en weer en op en neer gehobbeld zou worden dat hij later onder niet meer van boven zou kunnen onderscheiden (over dat soort dingen denk je dus na als newly parent). Ergo verscheen de bakfiets ten tonele. Ik weet nog hoe vies we allebei hadden gekeken toen we voor het eerst een driewieler met houten bak, een tweewieler met stoffen bak en uiteindelijk ons zwaargewicht onder de bakfietsen aanschouwden met wat volgens mij gewoon een piepschuim bak was.
Het was of je bij de Porsche dealer naar een Dodge Caliber stond te kijken en hoorde hoeveel praktischer het zou zijn om zoveel meer ruimte te hebben.
De Urban Arrow was de Cayenne onder de bakfietsen. De lichtste, de meest wendbare, de ruimste, de hipste, de meest geruisloze en de snelste. Je snapt, we moesten wel. En van elektrisch was toen nog geen sprake.
Die eerste keer was ik een natte spons. Als een gebochelde Eucalypta zat ik al bij de eerste de beste heuvel die ons duinlandschap rijk is met mijn tong uit mijn mond over het stuur van mijn tweewieler met zwarte bak gebogen zonder een omwenteling te maken. De laatste twee kilometer naar het strand heb ik moeten lopen. Zelfs manlief trok het niet om die heuvel bij Bloemendaal aan Zee op te komen, alsof het al geen marteling genoeg is om dat Orbit Hotel langer dan een minuut als ijkpunt in je vergezicht te hebben – en ik lig het liefst twintig strandtenten verder in Zandvoort, bij Loot 1, 3 of 5, dus als we bij Orbit aankwamen, dan waren we er dus nog lang niet.
 
Al twee jaar mijmerde ik over trapondersteuning, maar dat zou ons zo’n bom duiten kosten dat we het steeds uitstelden. Nu was het schluß. Ruub kreeg Stockholm, dus ik eiste mijn trapondersteuning. En die kreeg ik.
Terwijl Rubin zich zetelde op een plastic stoeltje ergens in het vierde vak in de Friends Arena, zette ik mijn toges op het zadel van mijn gepimpte fiets.
De verbaasde blikken van wielrenners en snorfietsers die ik met twee vingers in mijn neus en twee kids in het bakkie inhaalde, ik leek potverdorie wel supermammie op mijn bakmobiel!
Om het verhaal compleet te maken hoorde mijn vriendin, mede elektrische Urban Arrow bezitster en misschien nog wel meer in extase om het gemak dan ik, vandaag een groep jochies van zestien zeggen dat er wel een erg lekker wijf op die bakfiets langs scheurde. Als je sneller gaat, dan zie je ook die rimpels niet!
Dus ja, mensen, een elektrische bakfiets? Halleluja.
 

Wenskabouter

19 mei, 2017
Opa heeft een lichte beroerte gehad. Vandaag zal het er om spannen of hij zijn rechterbeen nog kan gebruiken. In de auto naar het Slotervaartziekenhuis, de plek waar ik ter wereld kwam, spookt er van alles door mijn hoofd.
Oma is nog maar net klaar met haar bestralingen, en nog geen maand geleden was ik hier voor mijn andere oma, die hier lag met een longvliesontsteking.
Het is evident. Het leven is vergankelijk en ieder moment kan het verlies toeslaan.
Ik sla af en parkeer op het terrein bij het ziekenhuis. Tegenwoordig betaal je hier net zoveel voor parkeren als in een drukke winkelstraat in Haarlem, maar dat neem ik voor lief.
De lucht is even grauw als de omgeving, al steekt het eerste groen aan de bomen hier wel mooi tegen af. Ik bekijk het troosteloze gebouw dat steeds groter wordt naarmate ik dichterbij kom, maar daarmee ook steeds verder van mij verwijderd lijkt. Deze plek herbergt de man die als scheepsknaap de hele wereld heeft gezien. De man die zalen vol krijgt met zijn authentieke Amsterdamse zangstem, de man die prachtige olieverfschilderijen schildert en de man die mijn oma gelukkig maakt.
Ik stap door de draaideur naar binnen en buig automatisch af naar de cadeauwinkel naast de cafetaria. Ik moet iets voor hem meenemen, iets liefs.
Naast het schap met de beertjes die hartjes vasthouden, staat een molen met stenen miniatuurkaboutertjes met een wens erop geschreven. De kaboutertjes zijn gekooid in kleine plastic doosjes.
Ik kan een glimlach niet onderdrukken.
Opa maakte ons vroeger altijd wijs dat kabouters echt bestonden. Op de camping in Nunspeet, waar ik als klein meisje heel wat zomervakanties doorbracht, stonden stenen kabouters in de tuin waarvan de kleuren nooit vervaagden omdat opa ze ieder jaar schilderde. Als mijn broertje en ik sliepen, verplaatste opa de kabouters. ’s Ochtends renden we dan naar buiten om David en zijn vrienden op andere plekken te vinden. Opa verzon hele verhalen over wat die kabouters allemaal hadden uitgespookt. Voor het slapengaan las hij ons voor uit het Grote Kabouterboek, een boek dat voor kinderen al twee maten te groot was, laat staan voor kabouters. Toen hij me op mijn tiende nog steeds probeerde te overtuigen van het bestaan van kabouters, schoot ik uit mijn slof waar mijn broertje bij was. Voor het eerst had ik straf van hem gekregen.
Snel kies ik het kaboutertje dat ‘veel geluk’ wenst en reken af bij de kassa.
Ik haast me naar de intensive care op de zevende verdieping. Niet omdat ik haast heb, maar omdat alles aan een ziekenhuis me nerveus maakt. Waar de meeste vrouwen reikhalzend uitzien naar een ontmoeting met een charmante man in witte jas met dr. op zijn naamplaatje, heb ik altijd de neiging om keihard weg te hollen. Ik versnel mijn pas, kijk recht voor me uit en probeer een bekend stemgeluid te onderscheiden in al het gefluister, gekerm en gepiep van apparatuur. Als ik mijn opa hoor, blaas ik mijn ingehouden adem uit.
‘Kijk nou eens wie daar is!’ roept hij blij.
Hij ziet er beter uit dan ik verwacht had. 
Nadat hij verteld heeft wat er precies gebeurd is en hoe het nu verder moet, geef ik hem het cadeautje.
‘Het is maar een kleinigheidje,’ zeg ik.
Terwijl opa moeizaam het pakje open probeert te maken, galmt voor de zoveelste keer het vreemd jengelend en tegelijkertijd zuigende geluid van een beademingsapparaat door de zaal, het heeft iets weg van het Islamitisch gebed dat bij moskeeën in Istanbul door de speakers klinkt, maar dan zachter. 
Opa trekt het laatste stukje papier eraf. Zodra hij het kaboutertje ziet springt er een fonkeling in zijn ogen. 
‘Weet je nog, Jordana, dat grote boek?’
Ik glimlach. De rest van het bezoekuur zijn we weer samen op de camping in Nunspeet.
 
 

Springstof

12 mei, 2017
Aaf springt hoog op de trampoline en laat zich vervolgens op haar billen vallen, waarna ze weer omhoog stuitert en op haar voeten probeert terecht te komen. Het ziet er klungelig uit en soms lijkt het net alsof ze met haar hoofd op haar knieën zal klappen. Vanuit de keuken aanschouw ik het tafereel met samengeknepen billen. ‘Niet te hoog springen en op je kont neerkomen, straks klapt je nek dubbel of je kin op je knieën!’
Meteen nadat ik het heb geroepen klimt Aaf van de trampoline af.
‘Dan hoef ik niet meer te springen,’ zegt ze verdrietig.
Heb ik haar nu bang gemaakt?
Ik was vroeger net zo argeloos en impulsief als zij, alleen een stuk koppiger. In geen honderd jaar had ik me door mijn moeder van die trampoline laten kletsen.  
Al had ze bewonderenswaardig veel geduld, als het op pret aankwam drukte mijn moeder die al voordat deze daadwerkelijk begonnen was, door me op alle gevaren te wijzen.
Uit tegendraadsheid werd ik een soort tomboy, maar wel een met een bord voor haar kop.
Ik rende met mijn handen in mijn zakken (al had ik daardoor al een keer mijn neus gebroken), ontsnapte uit de tuin en fietste als ukkie bijna het dorp uit, klom in bomen, schommelde mezelf een gat in mijn kop, liet mijn paard op de dijk terug naar huis galopperen met de teugels los, nadat ik een paar honderd meter met mijn voet door de stijgbeugel achter hem aan was gesleurd, dook van de hoogste duikplank, trotseerde wildwaterbanen met de grote jongens, ging tien keer in de Python, giechelde waar iedereen huilde tijdens het abseilen van een klimmuur en ging geen enkele ruzie uit de weg.
Ik vond mijn moeder altijd maar een zeur, want als het aan haar lag moest ik al bang zijn voor een kussengevecht, een likje aan een bot mes of een sproeier in de tuin, ‘het gras is nat, je gaat vallen!’ hoor ik haar nog zeggen. En alsof het onheil daarom over me afgeroepen werd, ging het dan ook precies altijd mis. Als ik iets argeloos deed gebeurde er nooit wat, maar zodra zij me op het gevaar had gewezen leek het in me te kruipen om mijn coördinatie te verstoren en mijn hersenen te verweken. Als het dan fout ging werd ik boos op haar en moest ik bewijzen, aan haar, maar vooral aan mezelf, dat ik het wel kon.
Nu ben ik de angsthaas. 
Eigenlijk al sinds mijn zwangerschap, realiseer ik me nu. Sindsdien ligt gevaar in de meest uiteenlopende hoeken op de loer: van rauwmelkse kazen, honing, roofvissen, alcohol, sigarettenrook, te zwaar tillen, zonlicht en te weinig slapen tot wiegendood, ongesteriliseerde flessen, kraanwater en koortslippen. Niet te warm, niet te koud. Oppassen voor de katten, want die konden uit jaloezie weleens je baby’s ogen uitkrabben.
Ja, sinds mijn zwangerschap is mijn wereld van een speeltuin in een survival parcours veranderd.
Ik schijn ook een radar te hebben voor horrorverhalen. Het is altijd een vriend van een vriend of een neef van een kennis van een buurman die het overkomt – van auto’s die met kinderen en al de gracht inrijden omdat ze vergeten zijn hem op de handrem te zetten tot een peuter die stikt in een cherrytomaatje – maar ze komen allemaal even hard binnen.
Hoe lang ben ik al bezig om al die angsten op mijn kinderen te projecteren en hoe vaak heb ik hun pret al bedorven door hun op alle gevaren te wijzen?
In mijn hoofd ga ik alles langs. De krampachtigheid waarmee ik hun nekjes ondersteunde toen ze nog te klein waren om hun hoofd zelf overeind te houden, de uitleg die ik ze gegeven heb over de dood, over vreemde mensen, over verdwalen, over in het water gaan, over klimmen, het lijken ineens allemaal plezierbedervers. Wat als ik te beschermend ben? Sam durft amper zelf zijn bed uit te klimmen, Aaf blijft stokstijf staan als ik haar naam roep, vaak benoemen ze zelf al op voorhand de gevaren van hun onderneming. Wat als ik met al mijn zorgen de lol van alles af heb gehaald?
Ze willen klimmen, springen, vallen, rennen, glijden en duiken en dat moet ook. Ze moeten zich kunnen bezeren, hun eigen fouten maken. In plaats van ze dwangmatig op alle gevaren te wijzen, kan ik ze misschien beter voordoen hoe het wel en niet moet.
 
Aaf ploft naast Sam op het net aangelegde kunstgrasperkje.
Ik schuif de groente opzij, laat het mes in de gootsteen vallen, droog mijn handen af en stap naar buiten.
‘Kom op jongens!’ zeg ik, terwijl ik de kids van de grond pluk.
‘Wat gaan we doen?’ vraagt Aaf.
‘Wie het hoogst kan springen op de trampoline!’
 

4 meiĀ 

5 mei, 2017

Mordechai Querido, Amsterdam, 13 november 1904 - Auschwitz, 30 september 1942 

 

Stilte, niet als rustpunt

maar van een ondoorgrondelijke kilte

die het gemoed geen rust gunt

 

Stilte in het zien van zorgen

omvat meer dan duizend woorden,

ontsluiert al wat is verborgen

 

Stilte niet uit kalmte,

bezinning, wanhoop of beschuldiging,

geeft het onbevattelijke gestalte

 

In stilte ineengedoken

zonder reden en zonder einde

het vlees getergd, de ziel ongebroken

 

Stilte om te horen,

te zien wat niemand zegt,

al wat is verloren

 

Stilte schuilt niet,

het komt, en doet beseffen

Stilte huilt niet

 

Stilte om te weten

dat wat is geschied

Stilte, om nooit te vergeten

 

Klik om deze tekst te bewerken...

Jan Haring

28 april, 2017
‘Zo, dat is lang geleden!’
Ik knik en laat me door hem op mijn wangen kussen.
‘Hoe lang al? Vijftien jaar?’
‘Langer,’ antwoord ik. Niet lang genoeg, realiseer ik me. Mijn blik glijdt over zijn gezicht dat roomblank geboetseerd lijkt, met als enige afdruk van de tand des tijds de lichte rimpeltjes om zijn ogen. Hij heeft nog steeds hetzelfde haar, donkerbruin krullend, en diezelfde moedervlek op zijn wang. Geen karakteristieke, zoals die van Cindy Crawford, Madonna of Victoria Koblenko voor mijn part, maar een irritante.
‘Je was altijd al een lekker wijf, maar nu…’
Ik slik, pers mijn lippen op elkaar en word me ineens bewust van waar ik sta, te ver verwijderd van de liefde van mijn leven.
De zon zakt, de haven stampt van de Hollandse muziek en mensen die met bier -en wijnglazen de straten bevolken. De temperatuur lijkt met minstens twee graden te zijn gedaald, alle warmte verschuilt zich onder de huid van mijn gezicht.
‘Tjeses, je bent echt geen spat veranderd. Je lijkt op je moeder.’
Zoals hij het zegt, alsof ik blij mag zijn met zijn keuring, zijn blik constant dwalend over mijn gezicht en lager.
Hij was altijd al zo. Een intelligente jongen, rap van tong, gevat zelfs, maar arrogant. Glad als zijn naar achter gekamde krullen die door gel op hun plek worden gehouden.
Ik herinner me ineens momenten tijdens tennisles waarop hij ronduit gemeen was. Ik kon heel fijn met hem praten over van alles, maar als ik meer afwist van een onderwerp of hem van repliek diende, dan schopte hij me (een keer zelfs letterlijk) de hoek in. Meisjes die er zo uitzagen als ik mochten geen verstand hebben.
Hij is vast makelaar geworden, of nee, advocaat.
Ik pers er een glimlach uit.
‘Hoe gaat het met je?’ De woorden marcheren in een keurig rijtje over mijn lippen.
‘Goed. Druk, met werk en een kleintje onderweg.’
‘O, leuk, gefeliciteerd. Wat doe je voor werk?’
De spieren waarmee ik de glimlach op mijn wangen houd beginnen me te kwellen.
‘Ik ben jurist bij een woningcorporatie. En jij?’
‘Sales productmanager bij een private label producent, confectie. En moeder van twee kleintjes.’
‘Goh, sales productmanager. Schuift dat wat? Moeilijke branche, toch, kleertjes?’
Ik haal diep adem. ‘Ja.’
Een wolk schuift voor de zon en zo zonder de warmte op mijn huid begint de kilte vat op me te krijgen. Ter plekke heb ik spijt van een aantal zaken: dat ik hem tegen het lijf ben gelopen, dat ik niet meer weet waar ik mijn vest heb gelaten, dat ik überhaupt mijn vest heb uitgetrokken, dat ik vanochtend per se dit veel te blote jurkje uit mijn kast aan moest en dat ik niet aangeschoten ben. In ieder geval niet genoeg om tegen hem opgewassen te zijn.
Ik kruis mijn armen voor mijn borsten.
‘Weet je dat ik vroeger echt gek op jou was?’ biecht hij op.
De kreukels in mijn voorhoofd moeten duidelijk te tellen zijn. Hij snift vergenoegd.
 ‘Je hebt wel iedereen gehad hier in het dorp, hè? Zo jammer…’ gaat hij vrolijk verder.
Het is net alsof ik de stomp die hij me ooit in mijn maag gaf nog voel nadreunen. Ik zou ontsteld moeten zijn, beledigd, woest zelfs, maar ineens wordt het me duidelijk. De gesprekken die we hadden, zijn woede, zijn getreiter, zijn onvermogen om door mijn uiterlijk en mijn spontaniteit heen te kijken en de waarheid te zien. Want de waarheid is dat ik me nooit aan iemand heb gegeven uit mijn dorp. Iets wat ik altijd als een tekortkoming zag van mezelf, omdat het me zo heerlijk leek om dat te kunnen.
Voor een moment sluit ik mijn ogen, recht mijn rug, haal een teug adem en kijk hem dan diep aan.
‘Jeetje, ja, ik heb iedereen gehad hier. Behalve jou. Waarom is dat eigenlijk?’ 
Ik staar even naar zijn lippen en dan weer in zijn ogen. ‘Je had me zo kunnen hebben, als je wat liever was geweest…’ Ik stap naar voren, laat mijn hand over de gladde stof van zijn overhemd glijden tot achter in zijn hals. ‘Zo jammer...’ Dan ga ik op mijn tenen staan, leun naar voren en plant een vederlicht kusje op zijn wang. ‘Moet gaan. Fijn feestje nog.’
Ik draai me om en loop weg. Met iedere stap voel ik me waardelozer, totdat ik bij de mister ben. Hij houdt zijn arm omhoog, ik duik eronder en nestel me dicht tegen hem aan. Hij geeft me een kus op mijn hoofd.
‘Heb je het naar je zin?’ vraagt hij in mijn haar.
‘Hmm hmm,’ lieg ik. Stiekem kijk ik om. Hij staat daar nog. Onbewogen.
 

Fashionably late

21 april, 2017
‘Over anderhalf uur moeten we daar zijn, hè?’ zeg ik tegen Rubin, die onderuitgezakt op de bank voor de televisie zit. ‘Dat betekent dat we over een uur weg moeten.’
‘Hmm hmm.’ Hij stopt nog een nootje in zijn mond.
Ik gris Aafs shirtje van de stoel en neem het mee naar boven om het in de wasmachine te gooien.
Hoe kan hij zo relaxed blijven zitten?
In de badkamer hangt de rode jurk klaar voor het feestje vanavond. Eigenlijk is die veel te opvallend. 
Hoe heb ik dit in godsnaam uit kunnen kiezen? 
Terug naar de kast. Een spijkerbroek is veel te casual. Een zwarte broek met een blouse had ik vorige keer al aan. Toch maar een jurkje dan?
Ik kies er twee, trek er een aan en loop de trap af.
‘Ahum. Wat vind je hiervan?’
Moeizaam komt zijn blik los van het beeldscherm.
‘Heb je je nou nog niet gedoucht? Je bent al een half uur boven!’
‘Ja, maar kan dit? Is het niet te bloot?’
‘Eh…’
‘Ja, te bloot, hè, dat vond ik eigenlijk ook al. Wacht dan doe ik even die andere aan.’
In de gang schud ik de blauwe jurk van me af en stap in een zwarte met een strakke rok tot hoog in de taille en een wijde top eraan vast.
‘Deze is beter, toch? Alleen vindt je niet dat ik hier een te dikke buik voor heb?’
‘Nee.’
‘Nee? Nee, als in dat deze niet beter is of dat je niet vindt dat mijn buik hier te dik voor is?’
‘Ja. Ik bedoel, nee. Dit staat je goed, niets meer aan doen.’
Daar heb ik dus helemaal niets aan. Ik draai me om, houd mijn buik in en bekijk mezelf in de spiegel.
Het kan ermee door.
‘Schiet je wel een beetje op,’ roep ik vanaf de trap.
Even later stroomt het warme water over mijn huid. Ik sluit mijn ogen en stel me voor dat ik op het strand in Tel Aviv of Barcelona sta op een warme namiddag. Of beter nog, in de achtertuin van ons droomhuis in het buitenland, op steenworp afstand van de oceaan. Ik was mijn haar twee keer.
Omdat ik niet meer op de tekst van Whitney Houstons I wanna dance with somebody kan komen, zing ik drie liedjes van Amy Winehouse, terwijl ik mijn benen, oksels en bikinilijn glad scheer. Dansend stap ik de douche uit, alles is beslagen. Ik droog me af en borstel mijn haren glad, om ze vervolgens weer in de krul te kneden. Net als ik voorovergebogen sta om te beginnen met föhnen, komt Rubin de badkamer binnen.
‘Je weet dat we er nu al bijna hadden moeten zijn, hè?’
‘Nee, toch? Is het dan al zo laat?’ Ik zet de föhn op zijn hoogste standje. ‘Ik ben bijna klaar,’ roep ik boven het kabaal uit. Alleen nog mijn kleren aan en make uppen. Zo gepiept.
Even later kom ik beneden en tref ik hem weer op de bank. Ik kijk op de klok in de keuken. Een half uur te laat!
‘Verdomme, Rubin, kom met je luie reet van die bank af, we hadden er een half uur geleden al moeten zijn! Nu moet jij nog douchen en alles!’
Langzaam komt hij omhoog.
‘Je hebt je schoenen nog niet eens aan,’ zegt hij, compleet ongevoelig voor mijn stress aanval.
Mijn blik schiet naar mijn in zwarte panty gehulde voeten.
Als ik hem voorga de trap op, krijg ik een pets voor mijn billen.
‘We kunnen ook afzeggen,’ grijnst hij.
‘Doe niet zo flauw, schiet nou maar op, ik word nerveus van je.’
In de kast pas ik vier paar schoenen. Uiteindelijk beslis ik voor de beige enkellaarsjes met stiletto hak. Ik strompel de trap af.
Dit keer zit hij, gedoucht en al, op de bank Teletekst te kijken. 
‘Ik ben klaar, kom op nou.’
Hij komt omhoog.
‘Ik moet nog even plassen,’ zegt hij bloedserieus als we bij de voordeur zijn.
‘Meen je dit nou?’
Ik kan niet zien of hij lacht, want hij heeft zich al omgedraaid. 
Op zijn dooie gemak komt hij naar buiten geslentert en laat hij zich in de stoel achter het stuur vallen.
Ik blijf met mijn armen over elkaar geslagen zitten en tuit mijn lippen.
‘Is er soms iets?’ vraagt hij, terwijl hij optrekt.
‘Door jou zijn we nog later!’ roep ik.
Hij schatert het uit. 
 

Stad van mijn hart

14 april, 2017
Zes jaar geleden verliet ik de stad van mijn hart. Amsterdam, waar ik geboren ben, waar mijn familie vandaan komt en waar ik achttien jaar mijn dagen sleet, ruilde ik in voor Haarlem. Van de ene op de andere dag hadden we het idee onze stad ontgroeid te zijn en dat was dat.
 
In de trein naar mijn oude stad afgelopen zaterdagochtend moest ik denken aan mijn bijbaantje als schoenenverkoopster bij dr Adams in de Oude Doelenstraat.
Vijf jaar lang liep ik Iedere zomerse zaterdagochtend van het centraal station over de Zeedijk en de Oudezijds Voorburgwal naar de winkel, met het zonnetje net boven de daken van de herenhuizen, wat eendjes in de gracht op hun drijvende nesten van bij elkaar gesprokkeld riet, her en der wat prostituanten, junks, dealers en pooiers en misschien ergens een verdwaalde toerist, maar verder niemand. Het verre geluid van de trambel en het terug klappen van de eerste trede van de tramtrap, die net verlaten werd door de voet van een in- of uitstappende passagier, was het enige dat de rust verstoorde. Het ontwaken van de stad maakte een verknochtheid in me wakker die me deed vergeten dat ik er kwam om te werken. Eenmaal bij de winkel draaide ik het rolluik omhoog en schoof de glazen pui open. Er hadden zich heel wat taferelen afgespeeld voor die doorzichtige muur, van heroïne spuitende junks en handkarrende mannen, tot arrestaties, of zelfs een combinatie daarvan – een heroïne spuitende rukker die met zijn blote snikkel tegen het raam gedrukt werd door een potige politieagente, terwijl ik fatsoenlijk een paar Roots probeerde af te rekenen.
Lenny Kravitz, Gordon Sumner, Michael Jackson, Johnny Depp, Beyoncé, Kelis, Wyclef Jean en Brad Pitt voorzag ik zonder blikken of blozen van schoenen. Het kon allemaal in Amsterdam.
In de winkel draaiden we de hele dag alle Clubtracks R&B cd's, in het magazijn zongen en dansten we op de plaatjes mee. 
We kregen altijd vrijkaartjes voor de coolste party's, maar ik was verzot op hiphop, wat alleen werd gedraaid in de discotheken die geen doorbitch hadden en er over het algemeen om bekend stonden de kneuzen die elders geweigerd werden binnen te laten. Tussen de kleurrijkste mensen beleefde ik de beste feestjes.
Midden in de nacht liep ik dan van het Rembrandts, het Singel of het Leidse naar het Centraal station, waar ik in mijn uppie op de laatste nacht- of de eerste ochtendbus wachtte.
Er kon me niets gebeuren in mijn stad.
‘Amsterdam Centraal station, eindpunt van deze trein,’ klonk het door de luidsprekers. Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen. Gedwee stapte ik uit en sloot aan in de enorme rij voor de roltrap. Eenmaal buiten probeerde ik tussen het toeristengedruis, de auto’s, geluidloze taxi’s, trams en fietsers door de prins Hendrikkade over te steken. Het zweet stond op mijn voorhoofd. Was het hier altijd al zo druk?
Op de Zeedijk werd ik van de stoep verdreven door een groep Chinezen en weer op het trottoir gedwongen door een horde Fransen op gele fietsen.
De Nieuwmarkt was volgebouwd met terrasjes waar geen tafelblad en vrije stoel meer op te bekennen was. Zelfs de hoeren waren door de drukte voor hun ramen niet meer te zien. Ik keek op mijn horloge, half elf.
Waren er eigenlijk nog wel pooiers? Junks? En waar liepen de authentieke Anita’s die je aanspraken met ‘moppie’, ‘schat’ of ‘wijffie’? 
Bij een achenebbisj bakkerswinkeltje at ik voor negen euro nog geen tien centimeter glutenvrije quiche met een paar blaadjes sla. Geparkeerd voor vijf euro per uur aan de kade van de Kloveniersburgwal stonden alleen nog maar dikke wagens. In de etalage van een makelaarskantoor zag ik vraagprijzen van bijna vier ton voor appartementen van nog geen vijftig vierkante meter, zonder balkon.
Op het midden van het Rembrandtplein, waar ik ooit nog weleens mijn roes had uitgeslapen, zag het zwart van de toeristen die op de foto wilden met de in brons gegoten burgercompagnie naar beeltenis van Rembrandts Nachtwacht.
Wachtend op de tram naar de Watergraafsmeer hoorde ik alle talen, behalve Nederlands.
Was dit de stad waar ik nog altijd zo naar verlangde?
Een dag later lag ik heerlijk in het Amstelpark, wat tien jaar lang mijn achtertuin geweest was, op een kleedje in het zonnetje tijdens de Pure Markt. De sfeer was gezellig, een mengelmoes van mensen, culturen, kraampjes met leuke spulletjes en lekkere hapjes en muziek, niet mainstream, zei mijn vriendin. Niet mainstream? Vroeger lag ik in dit park in mijn bikini, zag er soms niemand behalve die aardige parkwachter die me er op attent kwam maken dat het park ging sluiten. Nu hadden we ons plekje op het grasveld bijna met geweld moeten veroveren. Later bij de speeltuin was er geen plukje gras meer te zien. Honderden mensen bevolkten het in mijn geheugen zo idyllische plekje. Waar ik dacht mijn kinderen vrij te kunnen laten spelen, verloor ik ze steeds uit het oog in de massa en zat ik er met samengeknepen billen bij.
En terwijl ik die namiddag met een boek en een glas wijn op mijn oerdegelijke loungebank in mijn oerdegelijke Haarlemse tuintje neerplofte, de kinderen voor de deur spelend met de buurtkindjes, realiseerde ik me dat wij Amsterdam nooit ontgroeid waren, Amsterdam had ons verdreven.
 

Plaag

7 april, 2017
Dinsdagavond half acht, de ondergaande zon scheen door de lamellen, het kantoor was verlaten, alleen op mijn bureautje stond de computer nog aan. Ik was al minstens een half uur mijn brein aan het breken over een mailtje aan een Duitse klant toen het appje van mijn moeder binnenkwam: Aaf heeft luis.
Ik staarde naar het schermpje tot het woord ‘luis’ tot leven kwam en van mijn telefoon zo over mijn hand de mouw van mijn truitje in kroop. Van schrik liet ik het ding uit mijn handen kletteren. Alsof het plafond het begeven had onder het gewicht van twee miljard luizen die zich daar jarenlang hadden schuilgehouden, werd ik overspoeld door kriebelende pootjes en jeukende beestjes.
Ik sprong op, gooide mijn hoofd voorover en krabde als een bezetene de huid er van af.
Waar was mijn zelfbeheersing? Ik moest aan Sarah Jessica Parker denken die er in I don’t know how she does it achter komt dat haar gezin besmet is met luis, terwijl ze een belangrijke meeting heeft met Alec Baldwin (klik hier). Toen had ik dat nog een grappige scène gevonden.
Als iemand me nu zou zien… Maar er was hier niemand. Ik zou leeggezogen worden door die zespotige pisgele bloedzuigers en mijn collega’s zouden morgenochtend op zijn vroegst pas mijn met luizen bedekte, compleet van bloed onttrokken karkas hier op de vloer aantreffen, en dat was het dan.
En toen dacht ik aan Aaf. Ik kon haar toch niet laten opvreten door die beesten?  
Mijn moeder zou nu ongeveer weggaan en Rubin kon dat luizengedoe natuurlijk nooit handelen in zijn uppie. 
Ik schudde de paniek en de beestjes van me af, zocht snel op google naar eerste hulp tips bij luizen, schreef er een aantal op een post it, knipte het licht uit en verliet in allerijl het pand.
Eenmaal thuis trof ik mijn moeder, de luisdetector, bij de voordeur op haar weg naar buiten.
‘Waren het er veel?’ vroeg ik, terwijl ik haar op haar wang kuste.
'Een stuk of dertig. Ik heb haar in bad gezet en ben uren bezig geweest om ze eruit te kammen. Ik heb er een paar voor je bewaard in een glaasje.’
'Oh, fijn.' Ik ging bijna over m'n nek.
'O, en Aaf weet het nog niet.’
'Hoe bedoel je?'
'Ze weet niet dat ze luis heeft. Ik heb het haar niet verteld, vond het zo zielig. Straks raakt ze er helemaal van in paniek.'
Hoe mijn moeder het voor elkaar heeft gekregen om tig luizen uit Aaf haar haren te kammen zonder dat ze doorhad waarom, is me een raadsel. Als ik één tandje van een kam op haar hoofd zet gilt ze het al uit. Weer een mysterie om toe te voegen aan de lijst met dingen die oma wel lukken en mama niet.
Ik haastte me naar mijn onwetende meisje, die nog wakker in haar bed lag. Ik drukte haar stevig tegen me aan en gaf haar een kus op haar luizenbol.
'Lieverd, je hebt luis. Ik ga je haar even in een vlecht doen. Morgenochtend doe ik er citroensap in en ga ik het nog een keer kammen, maar oma heeft de meesten er al uitgehaald.'
'Wat is luis?'
'O, van die kleine beestjes in je haar.'
'Wat doen die dan?'
'Kriebelen. Daar krijg je jeuk van. Daarom moest je zo krabben gisteren.'
'O.'
'Heb je nu nog jeuk?'
Ze schudde haar hoofd.
'Wat heeft oma met die luizen gedaan? Zijn ze dood?' gaapte ze.
'Ja.'
'Aah, zielig...'
Ik glimlachte en gaf haar een kus in haar heerlijke nekkie, terwijl ik haar haar vlechtte.
'Ze zitten in een glaasje.'
'Mag ik ze zien?' vroeg ze, haar moeheid verbijtend.
Ik frummelde een elastiekje om het uiteinde van de vlecht, wreef over haar rug en pakte haar hand.
Samen liepen we naar de badkamer waar ik haar het glaasje liet zien met de vijf drijvende luizenlijkjes.
'Dat zijn luizen.'
'Oké.' Meer zei ze niet.
Ik tilde haar terug naar bed, stopte haar in en sloop haar kamer uit. Toen ik zeker wist dat ze me niet meer zag rende ik het hele huis door om alle jassen, kleding, handdoeken en al het beddengoed in de was te gooien. Daarna drenkte ik mijn hoofdhuid in citroensap en azijn (kon mij het schelen dat ik strohaar zou hebben de komende weken) en liet het een paar uur intrekken.
De volgende ochtend noemde ik Aaf 'luizenpluisje', waarop zij zei dat ze dat niet was. 'Luizenbol dan.' Ze gaf me een por en noemde me dikzak. Mooi. Geheel plaag bestendig gaf ik haar aan de mister mee, aan hem de eer om in de klas mee te delen dat Aaf luis had.
 

De broek aan

31 maart, 2017
‘Als ik later kinderen heb dan doe ik het anders. Alles!’ hoor ik mezelf nog tegen mijn moeder roepen.
Ik dacht er aan toen ik met mijn handen op mijn heupen over Aaf heen gebogen stond die voor de zoveelste keer weigerde de kleren aan te trekken die ik voor haar had klaargelegd. En ik had niets anders, want de rest zat in de was.
‘Doe. Die. Spijkerbroek. Aan. NU!’
En daar was het. Ik had mijn mond opengedaan en mijn moeder was eruit gekomen. Flashback naar een kleine Jordana, over de grond rollend omdat ze de felgekleurde Oilily jurkjes niet aan wilde waar ze haar hele kinderkamer mee hadden kunnen behangen. Elke ochtend strijd, elke ochtend schreeuwen, dat was ook mijn vooruitzicht. Ergens was ik mijn moeder geworden en Aaf de vleesgeworden jarentachtig-Jordana in Frozen onderbroek, realiseerde ik me. Ik probeerde te achterhalen wanneer en waar deze transformaties precies hadden plaatsgevonden.
‘Nee. Ik wíl geen spijkerbroek. Ik wil een jurk. Dus.’
Dat was nieuw, dat ‘dus’. Niet alleen moest daarmee de kous af zijn, het impliceerde ook dat ik de grootste stomkop was die er op deze aardkloot rondliep.
‘Aaf, we komen te laat, trek die broek aan,’ zuchtte ik. Het was waanzin om steeds opnieuw hetzelfde te doen en dan verschillende uitkomsten te verwachten – dat wist ik van de Einstein quote op mijn Pinterest wandje – dus zakte ik door mijn knieën en legde mijn handen op haar wangen.
‘Wat is er nou precies aan de hand?’
Ze frummelde met haar vingers.
‘Ik wil niet een spijkerbroek aan, spijkerbroeken zijn stom, die zijn voor jommens.’
‘Is dat het? Je wilt geen spijkerbroek aan omdat dat voor jongens is?’
Ze perste haar lippen samen en sloeg haar armen over elkaar.
‘Dus broeken zijn voor jongens en jurken voor meisjes?’
Ze knikte. Ik stond op.
‘Wat een onzin. Wie zegt dat jurken alleen voor meisjes zijn? Dan vindt je zeker ook dat blauw alleen voor jongens is en roze voor meisjes.’
‘Nou, ik vind blauw wel mooi, hoor. Maar roze is voor meisjes.’
‘Wie zegt dat?’
Ze haalde haar blote schouders op.
‘Zie je, je weet het niet. Het staat nergens dat jongetjes geen jurk mogen dragen en dat ze niet van roze mogen houden. Je moet dragen en mooi vinden waar je je lekker bij voelt, Aaf.’
‘Als ik een spijkerbroek aan doe dan gaan ze lachen,’ piepte ze.
‘Wie?’
Ze trok weer haar schouders naar haar oren.
‘Dan laat je ze toch lekker lachen. Het is toch ook wel leuk als mensen om je kunnen lachen? Beter dan dat ze je in een jurk zien en keihard beginnen te janken.’ Ik trok een pruillip en deed net of ik in tranen uitbarstte.
Haar mondhoeken begonnen te trillen.
‘Daar zit niemand op te wachten, al dat gehuil. En trouwens, jij ben zo’n diva, dat jij gewoon een spijkerbroek kan dragen. Straks willen alle meisjes dat ook. Dat zou wel een probleem zijn, Aaf.’ Al ijsberend door de badkamer griste ik haar spijkerbroek van de verwarming.  ‘Wat moeten de jongens dan aan?’ Ik zette mijn meest bezorgde gezicht op. Het moet er uit hebben gezien alsof ik net mijn tanden in een citroen had gezet, want er brak een stralende glimlach door op haar gezicht.
‘Dan moeten die weer allemaal janken, Aaf. Al die jongetjes.’
Er klonk een giechel.
‘Maar weet je wat dan wel heel leuk is?’
Ze schudde haar hoofd. Ik ging achter haar staan, trok haar met haar rug tegen me aan, bukte, hield haar de spijkerbroek voor en tikte op haar been. Ze trok hem op en stapte gedwee in de broekspijp die ik voor haar openhield.
‘Alle jongens gaan dan in een jurk naar school.’
‘Nee, dat kan toch niet!’ schaterde ze.
‘Jawel, dat kan. Dat is één groot feest. En dan gaan ze dansen.’
‘Dansen?’
‘Ja, als jongens die jongens zijn in een jurk.’
‘En de meisjes dan?’
‘Die dansen als meisjes die meisjes zijn in een spijkerbroek.’
Ik knoopte haar broek dicht, draaide haar om, trok het truitje over haar hoofd en kuste haar op haar bol.
‘De wereld is zoals wij hem maken, Aaf. En nu naar beneden jij, spijkerbroekprinses. Pap eten.'
 

Henkie

24 maart, 2017
Waar zojuist nog kreetjes van vreugde, geklets, trippelende voetstapjes en rammelende wielen van de poppenwagen hadden geklonken, was het nu ineens stil. Verdacht stil.
Ik keek door het kiertje dat de woonkamerdeur openliet.
Daar stonden ze, Sam en Aaf, beiden met hun handjes in de zij, starend naar iets op de grond voor hun voeten.
‘Wat zijn jullie aan het doen, boefjes?’ vroeg ik terwijl ik naar binnen stapte.
‘Moet je kijken, mama,’ zei Aaf, wijzend naar iets.
Ik bleef staan. Was dat een zwart pootje? Zag ik daar iets bewegen?
Opeens sprong Aaf opzij, Sam slaakte een kreet.
O. Mijn. God. Een spin!
‘Hij gaat weg, mama! Hij rent weg!’ gilde Aaf.
‘Je moet hem pakken, Aaf!’ schreeuwde Sam, zijn hese stemmetje sloeg een octaaf over.
Met zijn acht behaarde poten schuifelde het beest richting het dressoir, om zich daar vlak voor weer bewegingsloos te houden.
Ik moest iets doen, maar ik kon alleen maar naar het insect staren, terwijl mijn hart wild alle lucht uit mijn longen bonkte.
Aaf deed een stap in de richting van het monster. ‘Niet doen!’ schreeuwde ik.
Twee verschrikte blikken schoten mijn kant op. Ik sloot even mijn ogen en opende ze vastberaden. 
‘Laat de spin maar even met rust, jongens.’
Vanaf de plek waar ik vastgeroest stond had mijn stem verdacht kalm geklonken.
‘Wat ga je dan doen, mama?’ vroeg Sammetje. 
‘Mama gaat hem pakken, toch?’ Aaf keek me verwachtingsvol aan.
Ik zocht om me heen naar een uitvlucht, een briljant plan of een beetje moed. Maar wat kon ik doen? De buurman halen? Het zou niet de eerste keer zijn dat ik in blinde paniek een spin achterliet om met een beloofde held terug te keren naar de plek des onheils en vervolgens ineen te krimpen onder zijn blik van medelijden en zijn scepsis over mijn geestelijke gesteldheid als er nergens meer een spin te bekennen was.
Het laatste waar ik zin in had was om de komende uren in een aflevering van Opsporing Verzocht vast te zitten.
‘Mama! Hij beweegt weer!’
De spin draaide een kwartslag, leek met zes ogen de afstand naar de eeuwige vrijheid in te schatten, terwijl hij me met de andere twee een vuile blik toewierp.
Normaal zou ik wegrennen, maar ik kon mijn kinderen niet in een huis laten met een monsterspin. Het was hij of wij.
Resoluut stapte ik naar de keuken, pakte het grootste glas dat ik kon vinden, vond een flyer van een sushi restaurant en liep terug. Ik kon dit. Ik had twee kinderen gebaard, een acute blindedarmontsteking overleefd en samen met een tarantula gedoucht op mijn solotrip in Mexico. Drie keer had ik als tiener op de Megafestatie een vogelspin over mijn arm laten lopen om van mijn fobie af te komen. Ik kon dit.
Het beest leek me te peilen, nog even en hij zou de gok wagen. Het was nu of nooit.
Ik dook naar voren, zette het glas over de spin, schoof de flyer eronder en tilde hem op.
‘Heb ik hem? Heb ik hem?’ Ik durfde niet te kijken.
‘Ben je bang, mama?’
‘Nee, hoor,’ hijgde ik. ‘Aaf, kan jij de tuindeur voor mama opendoen, dan laat ik Henkie even naar buiten.’ Ik hoopte dat ik niet te smekend klonk.
‘Heet ie Henkie? Aaah…’
Met twee stuiterende wuppies in mijn kielzog liep ik richting de tuin. Voor de deur bleef Aaf staan.
‘Mag ik hem zien, mama?’ vroeg ze. ‘Ja! Ik ook! Ik ook!’ Sam sprong op en neer.
Ik ging iets door mijn knieën en hield Henkie in zijn glazen kooitje zo dat de kinderen hem goed konden zien.
‘Hij is wel groot, hè mama?’ 
‘Mm, mm.’
‘Ga maar lekker naar buiten, Henkie,’ zei Sam met een piepstemmetje. ‘Mag ik hem aaien?’ voegde hij er aan toe. 
‘Nee, je mag hem niet aaien. Henkie gaat nu naar huis.’
Op blote voeten liep ik naar buiten. Aaf kwam naast me staan. Ik zoog een diepe teug lucht naar binnen.
‘Oké, Henkie. Ik ga je vrijlaten. Ik had je op kunnen zuigen met de stofzuiger, kunnen laten verorberen door de kat of gewoon een mep kunnen geven met een slipper, maar dat heb ik allemaal niet gedaan. Dus nu ga je gewoon lekker daar in die hortensia, zonder geplak en gehang en zonder je hele familie op me af te sturen. Oké?’
Henkie verroerde zich niet. Dat vatte ik op als een bevestiging.
En toen deed ik het. Ik schoof het glas over de flyer en Henkie vloog zo de hortensia in.
Razendsnel greep ik de kinderen en rende naar binnen, waar ik de deur achter me op slot draaide.
Zo. Met deze mama valt niet te spotten, dacht ik nog.

Trip

17 maart, 2017
Vrijdag 06.10 uur stapte ik op Haarlem CS in de bus naar Schiphol Airport. Met mijn tot de nok toe volgepropte trolleykoffertje als handbagage, nam ik plaats bij het raam. Omdat ik aan het chatten was met een vroege vogel, had ik totaal niet op mijn omgeving gelet. Ik schrok op ergens in Hoofddorp, waar ik nooit kom, en zag hangars, vliegtuigen en bedrijven, maar geen Schiphol Plaza. Er heilig van overtuigd dat ik mijn halte gemist had en nu voorgoed vastzat in een stad met als enige trekpleister de Primark, vloog ik overeind. De meneer naast me schrok zich een ongeluk.
Half gegeneerd liet ik me weer in de stoel zakken. De bus reed, ik kon nergens heen.
'Zijn we al voorbij Schiphol?' De eerste woorden van die dag kwamen nogal krakend over mijn lippen.
De man verdiepte de lachrimpels in zijn lichtbebaarde wangen en keek me vriendelijk aan.
'Nee, we zijn nog niet eens voorbij de tunnel.'
'O.' Ik had geen flauw idee welke tunnel hij bedoelde en ik bloos al om minder, dus mijn wangen schroeiden.
'Na de tunnel is het de tweede halte. Schiphol Plaza.'
Ik glimlachte terug en knikte zodat hij zou weten dat ik hem heus wel begreep, ondanks mijn blonde blunder.
Ik negeerde de pling van het berichtje op de mobiel in mijn hand, om dit weekendje weg niet kotsmisselijk van wagenziekte te beginnen, en staarde uit het raam. Mijn uitzicht werd onderbroken door een betonnen muur. 'Dit is niet de tunnel die ik bedoel, hoor,' grijnsde de man.
Nee, dat wist ik heus wel, dit was een viaduct, een uitvinding van de Romeinen.
'Dit is een viaduct,' voegde Albert E. er aan toe.
Mijn blik schoot naar de man, die het bijna uitproestte. En omdat ik nogal een zwak heb voor lachende mensen, grinnikte ik mee.
'Weekendje weg?' vroeg hij, wijzend naar mijn koffertje.
'Ja, Barcelona.' Ik perste snel mijn lippen op elkaar om de spraakwaterval die ik voelde opborrelen tegen te gaan. Als zo’n opwindbaar plastic kunstgebitje tot het laatste tandje toe opgewonden kon ik wel door de bus klapperen van enthousiasme voor mijn girl trip. Maar niemand zat er op te wachten om aan te moeten horen hoe heerlijk ik het wel niet vond om naast werkende moeder ook nog af en toe het meisje te zijn wat ik vroeger was; iemand die uren naar verhalen kon luisteren en verhalen kon vertellen zonder elke vijf minuten onderbroken te worden. Iemand die door de stad fietste zonder deadline en zonder altijd het gevoel te hebben iets te zijn vergeten. Iemand die in een ander land kwam en steevast de mogelijkheid overwoog om daar voorgoed te blijven. Iemand die binnen twee dagen een boek uitlas, de hele dag naar muziek luisterde en zonder na te denken een fles wijn achterover sloeg, de pijn in haar voeten weg danste tot in de late uurtjes, een jamsessie vol zong en in het eerste zonlicht, met tjirpende vogeltjes als enige geluid in een verlaten stad, naar het station zwalkte. Iemand die gewoon even niets moest. Geen was, geen huishouden, geen werk, geen kinderen en geen man. Gewoon alleen ik.
Nee, op dat geleuter zat niemand te wachten.
'Lekker, hoor,' mompelde de man.
Pling. Snel opende ik messenger en schreef een berichtje terug.
De bus minderde vaart, de man greep de paal voor zijn neus vast en trok zichzelf omhoog. Over zijn schouder zei hij 'Je weet het, hè, na de tunnel, tweede halte,' terwijl hij zijn OV chipkaart tegen de kaartlezer drukte om uit te checken.
Ik glimlachte en salueerde.
'Veel plezier in Barcelona,' lachte hij.
Pling. ‘Have fun gal’ verscheen er op mijn scherm.
Twee plezierwensen tegelijkertijd, dat beloofde veel goeds.
 

Lars

8 maart, 2017
bron:
Men zegt dat skiën net zo is als fietsen – je verleert het nooit. Toch vond ik het vorig jaar knap lastig om als een kamikaze naar het dal te moeten leunen op ski’s die voor mijn gevoel twee maten te kort waren in vergelijking met mijn lichaamslange latjes van vroeger. En daarom besloot ik dit jaar eerst twee uur privéles te nemen.
Nadat ik Aaf bij haar klasje af had gezet en op het terras in het sterke ochtendzonnetje een slappe latte macchiato achterover had geslagen, stapte ik vol goede moed naar de houten blokhut waar de vlag van Prozell Skischule op prijkte.
Bij een kale Oostenrijker, van ik schat een jaar of zestig, met harde stem en de contouren van een zonnebril om zijn ogen, meldde ik dat ik gearriveerd was voor mijn privéles. Met zijn blik volgde hij mijn lichaam.
"Niederlands?"
Ik knikte. Was dat te zien?
"Komm mit mir," zei hij. Hij greep nog net mijn hand niet.
Gedwee liep ik achter hem aan naar een meute skileraren, te herkennen aan hun smurfenblauwe ski-jacks met Prozell Skischule logo.
"Privat hier!" schreeuwde grote kale smurf met de wit getatoeëerde zonnebril, die blijkbaar de leider was van het hele spul.
Alle koppies draaiden in mijn richting. Vertwijfeld hief ik een hand op en glimlachte terug naar alle zwaar zongebruinde gezichten verborgen achter zonnebrillen waarin ik mezelf in alle kleuren van de regenboog terug zag.
"Gut! Lars ist dein Lehrer," sprak de leider alvorens hij zich omdraaide.
Ik zag mezelf groter worden in de brilglazen van een oh oh cherso gebruinde David Hasselhoff met grof gebreide zwarte muts.
"Hi! Welkom! Ich bin Lars, und du heißt..?"
"Jordana." Ik schudde zijn uitgestoken hand.
"Hallo, Jordana. Deutsch, Holländisch?"
"Holländisch," zei ik, terwijl ik tevergeefs poogde mijn hand terug te krijgen. Hij legde zijn andere er nog eens bovenop.
"Super! Ich spreek ein beetje Nederlands!"
"Oh, fijn." Ik rukte mijn hand los.
"Is dit jouw erste maal?"
In het Duits legde ik hem uit dat ik vorig jaar voor het eerst in zestien jaar weer geskied had en het me niet zo goed af was gegaan. Met een paar grapjes illustreerde ik mijn klungeligheid. Het kwam er op neer dat ik geen beginner was, maar ook nog lang niet gevorderd. ‘Und ich habe Angst,’ voegde ik daar nog aan toe.
Hij zei een tijd niets, maar had niet breder naar me kunnen glimlachen. Ik slikte. Zag ik er zo gek uit? Mijn haar zat verstopt onder een witte helm, mijn ogen achter een pilotenzonnebril en mijn lichaam onder drie lagen kleding, waaronder een gewatteerde. Wat had het voor zin om naar een Michelinmannetje te staren?
Hij nam me mee naar de oefenweide, waar ik voor moest skiën. Een keer zonder en keer met stokken.
Onder luid en zwaar overdreven “Ah, sehr gut, Jordana!” gingen we door naar de blauwe piste.
Tussen kinderen met gele hesjes die in flug als pulletjes achter een hoogblonde mama-eend in blauw skipak aan de berg afsuisden alsof ze nooit anders gedaan hadden, volgde ik Lars soepeltjes naar beneden. Oefenweides en blauwe pistes waren het probleem niet, het ging om die rode en zwarte. Altijd als ik de diepte zag begon ik te verkrampen en bakte ik er helemaal niets meer van, bang om te pletter te vallen of iets te breken, legde ik hem uit. Maar Lars was toch “positiv überrascht” en dat gebeurde hem niet vaak.
Toen hij me zag aarzelen bij de sleepjeslift (ik ben ooit een keer met mijn jas aan zo’n ding blijven hangen) twijfelde hij geen seconde. Hij sloeg zijn arm om me heen, bracht zijn gezicht dicht bij het mijne en zei dat we dit klusje wel even samen zouden klaren. Een ogenblik later zat ik naast Lars op zo’n verdomde trekhaak, terwijl de hand die hij stevig op mijn rug hield, steeds lager kroop. Ik staarde naar mijn skistokken en vroeg me af of ik er een tussen zijn benen moest planten, maar in plaats daarvan vroeg ik naar zijn vrouw en kinderen.
Nog een keer van de blauwe piste gingen we. Voor de tweede keer samen op de sleephaak naar boven, hij weer met zijn arm om me heen, opperde hij om nu van de rode piste te gaan. Dan moesten we minstens tien minuten in zo’n stoeltjeslift. En o, wat boften we dat we als leraar en leerling overal voor mochten en naast elkaar konden zitten.
Lars zorgde er de hele rit voor dat zijn linkerbeen mijn rechter raakte, hoeveel ik ook naar links bewoog.
Mijn ergernis verbergend achter grapjes en grolletjes, stomme vragen en verwijzingen naar het heerlijke weer, kwamen we na ruim tien minuten boven op een werkelijk prachtige plek, met uitzicht over besneeuwde bergtoppen tegen een strakblauwe hemel. Ik zoog de frisse lucht naar binnen en liet mijn wangen opwarmen door de zon. Lars verstoorde mijn momentje door naast me te komen staan en met zijn hand over mijn rug te wrijven.
"Kein angst haben, liebe Jordana. Ich bleib de hele tijd bij jou."
Als ik ergens angst voor had dan was het om het logge lichaam van Oostenrijkse boerenkool Lars zwoegend en glimlachend boven me te zien hangen.
Nog voordat hij zijn hand van mijn rug had, liet ik me van de berg glijden. Als een malle skiede ik naar beneden, genietend van de snelheid en lachend om de kapriolen die ik moest uithalen om Lars te ontwijken en vallen te voorkomen.
Zonder moeite roetsjte ik daarna nog twee rode en een zwarte piste af.
Ik was klaar, zei Lars, er was niets meer dat hij me nog kon leren. Ik was het met hem eens.
Misschien is het waar en is skiën net als fietsen. Maar ik acht het waarschijnlijker dat mijn nieuwe angst voor handtastelijke skileraren mijn vrees om te pletter te vallen voorgoed heeft genezen.
 

Inpakstress

3 maart, 2017
Voordat ik kinderen had was op reis gaan simpel als een pinda. Alles wat ik mee wilde nemen lag al een paar dagen van tevoren schoon en in keurige stapeltjes gevouwen in de kast, klaar om in de koffer te leggen. Een paar uur voor vertrek kieperde ik dan alles in de koffer, die vreemd genoeg toen ook al nooit goed dicht ging. (Het blijft een mysterie wat ik per se allemaal mee moest voor me myself en ik.)
Ik was compleet relaxed, zorgde dat mijn haar gekapt was, de okseltjes, bikinilijn en beentjes spekhemeltjeglad waren en de nageltjes keurig gelakt.
Mijn hoofd was leeg genoeg om me nog voordat ik op Schiphol of bij de grens stond te herinneren of ik mijn paspoort wel bij me had.
O, wat een heerlijkheid om je toch zo op jezelf te kunnen focussen!
Nu is dat wel anders. De deur uit gaan vergt al een gedegen voorbereiding, laat staan een weekje wintersport. Mijn inpakstress begon al veertien dagen voor vertrek.
Kleding en attributen moesten opnieuw aangeschaft worden, aangezien de kids alles van vorig jaar, zelfs van vorig seizoen, niet meer pasten. Al het overige moest gewassen worden. En natuurlijk werd er precies gemorst, gepoept en geplast op de dingen die al schoon waren en die ik bedacht had om mee te nemen. Als het me al lukte om vast wat keurige stapeltjes gewassen goed klaar te leggen, werden die of geplunderd door de mister, die het gewoon heerlijk vindt om zich in keurig gevouwen stapeltjes een weg te graven naar het onderste kledingstuk, terwijl hij alles wat hij op zijn weg tegenkomt over de schouder werpt, of de kids, die nooit, maar dan ook nooit aan willen wat ik voor ze klaarleg.
Toen ik een dag voor vertrek het zweet van mijn voorhoofd en bovenlip veegde, toch wel trots dat het me gelukt was die eindeloze berg wasgoed weg te werken, kwam manlief  nog even doodleuk aanzetten met een stapel rottende etter die op wonderbaarlijke wijze ineens uit zijn voetbaltas gekropen was.
Er zijn een hoop dingen die je mannen kan bijbrengen, maar hun was meteen in de wasmand gooien, de nageltjes niet door de gootsteen spoelen, geen scheten laten onder de deken en de WC bril omlaag doen, blijft moeilijk. Vragen om verandering heb ik al opgegeven, het antwoord blijft als een bekraste cd steken op I can’t tell you why van de Eagles om daarna te blijven hangen op Madonna die ‘I’m not sorry, it’s human nature,’ zingt.
Wintersport verhoogde nog even de blinds, want alles wat in de koffer moest was dik en veel en groot en gewatteerd. Ik snap niet hoe mensen met kinderen het voor elkaar krijgen om alles in twee koffers te persen, en dat is ook  meteen de reden waarom wij gedoemd zijn om altijd met de auto naar ski oorden te rijden. Er is geen vliegmaatschappij die ons, een bont gezelschap van twee koffers, vier weekendtassen, twee handtassen, een snowboard, een krat speelgoed, een paar plastic tassen, een buggy, een slee, en vier personen wil meenemen. In ieder geval niet zonder de al verdriedubbelde prijs in de vakantieperiode nog even te verviervoudigen. Schandalig trouwens dat ze de prijzen van die tickets zo verhogen in het hoogseizoen, alsof kerosine ineens twee keer duurder is in de kerst- zomer- of voorjaarsvakantie, het niet voordeliger is om een vol vliegtuig te hebben en de piloten een salarisverhoging krijgen om dat vakantiegespuis rond te vliegen. Maar dat even terzijde.
Het briljante plan was om om tien uur ’s avonds weg te rijden, zodat de kinderen de hele rit lekker zouden tukken en wij zonder file de volgende ochtend vroeg onze bestemming zouden bereiken.  
Alle koppies geteld, compleet bepakt en bezakt vertrokken we, anderhalf uur later dan gepland. Dus kwamen we dik in de file, waren de kinderen de laatste uren klaarwakker en kotsten ze als klap op de vuurpijl allebei de hele achterbank onder.
De vakantie was fantastisch, maar volgend jaar vliegen we.
Wat het ook kost. 
 

Ontstemd

26 februari, 2017
Na een heerlijke week wintersport vond ik mijn stembiljet in de brievenbus.
Om de milka koe maar meteen bij de hoorns te vatten googlede ik, gewapend met een chai latte en een stuk chocola, 'wat moet ik stemmen’ en vulde alle stemwijzers in die opdoken.
Bij het Groen Kieskompas kwam ik uit bij Denk. Ik werd meteen misselijk. Als ik namelijk onverhoopt met Tunahan Kuzu als laatste man ter wereld op een eiland strand, gooi ik zonder wroeging mijn vegetarisme opzij en vreet hem rauw op.
Volgens StemWijzer was ik voor Artikel 1. Waarschijnlijk gebaseerd op het feit dat ik bij die ene vraag pro roetveegpiet was, maar dan ook alleen omdat de optie ‘het interesseert me eigenlijk geen ene reet meer’ er niet bij stond.
Het KiesKompas dan, die dirigeerde me doodleuk naar de ChristenUnie en door het invullen van de Kiesbalans kwam ik zelfs uit bij de PVV!
De Wijze Stemmer beloofde dat de grootste denkers der aarde me zouden helpen om de juiste partij te vinden. Volgens hen was mijn wijze stemmer Karl Marx en fluisterde hij vanuit het hiernamaals ‘SP, SP, SP!’ in mijn oor. Eindelijk duidelijkheid, ik vroeg me namelijk al jaren af wat dat irritante gesis was.
Uiteindelijk deed ik, omdat Kieswijzer me naar D66 duwde en Routestemmer me naar 50Plus schoof, uit pure frustratie ook nog de StomWijzer. PvdA kwam daaruit.
Lekker duidelijk. Als alle bovengenoemde partijen nou even één partij zouden vormen, dan kan ik daar op stemmen.
Het had zo simpel moeten zijn, maar dat ik voor een beter klimaat ben en tegen discriminatie en tegelijkertijd ook wens om 130 kilometer per uur te mogen blijven rijden en de grenzen strenger te controleren, is blijkbaar erg verwarrend. Ik mis een log middenmonster dat met lange, sterke tentakels uithaalt naar links (om Nederland het meest groene, diervriendelijke en klimaatneutrale land van de wereld te maken) en naar rechts (om onze vrijheid niet cadeau te doen aan hen die onze westerse vrijheden verwerpen.)
Ik googlede alle lijsttrekkers, bekeek hun foto’s en klikte op hun campagnefilmpjes. Het leek potverdorie wel een poppenkast, met Sybrand Buma als Jan Klaassen, Tunahan Kuzu als graaf Dracula, Mark Rutte als prins Gaylord, Geert Wilders als Katrijn en Emile Roemer als Dombo, het vliegende olifantje. Ik zit nog te twijfelen wie ik op Ursula uit de Kleine Zeemeermin vind lijken, maar daar kom ik misschien in een ander blog nog wel op terug.
Het ontbreekt de politiek aan recht toe recht aan mannen en vrouwen. Het is allemaal een beetje van alles wat, dus net niks. Wat mij betreft mag 2017 het jaar worden van de échte man en vrouw, die met ballen en tieten. Echte mannen die zeggen waar ze voor gaan, de mouwen opstropen en desnoods de boel zelf wel even regelen, niet die gladde glimlachende knikkers die zichzelf oppoetsen tot glimmende biljartballetjes, waarna ze doelgericht afketsen tegen alle waarheden met hun valse beloftes en steevast hun eigen dikke vette achtbal in de corner pocket stoten. Brrr, zie je, ik ril er van.
Ik, als vrouw die in deze tijden weer in haar handjes mag knijpen dat ze stemrecht heeft, vind dat ik iets móet, maar heb nu dus geen idee meer wat. Ik heb krullen, dus misschien moet ik, net als Katja en Sylvana, zelf maar een gooi doen naar een politieke carrière. Al acht ik mezelf redelijk kansloos, gezien mijn hekel aan ongelijkheid (ik zou meteen het basisinkomen invoeren) mijn aversie tegen religie (dat zou uit het onderwijs moeten verdwijnen) en mijn zwak voor hardwerkende mensen – de noeste arbeiders met hun handen in de modder of met hun goddelijke lijf het vuur trotserend, hallelujah! Alleen al voor hen zou ik vol enthousiasme een nieuw beloningsstelsel  introduceren, gedoopt ‘Pegels voor het Plebs’ waarbij de werknemers onderin de organisatie net zo ruim beloond worden als die aan de top. 
Ik zou vaders en moeders heilig laten verklaren en tegelijkertijd het feminisme de das om doen: blèren dat vrouwen ongelijk behandeld worden mag, maar dan wel alleen bij de Turkse en Arabische ambassade. Onze westerse mannen zijn namelijk allang in touch met hun vrouwelijke kant, zonder daar ook maar een greintje mannelijkheid voor op te geven. Ze zijn niet als een stel Dolle Henkies de barricades op gegaan met gladgeschoren beentjes en aangezette wimpertjes, maar hebben een stuk of tien tattoos laten zetten, kweekten een sixpack en lieten hun baard staan. Robuust van buiten, zacht van binnen, het zijn toch potverdorie net Magnums, onze mannen.
Nou goed, voordat ik weer afgeleid ben, als laatste politieke stuiptrekking zou ik na het afschaffen van het koningshuis, in plaats van Koningsdag de Grote Verschildag invoeren, waar we allemaal massaal de straat op gaan (al dan niet verkleed) om te vieren dat we anders zijn, dat we van elkaar verschillen en dat dat gewoon fokking oké is.
Enfin, een blamage zou ik zijn, zoals ik dus al zei. Ik ben een complete politieke nitwit, dat blijkt wel uit die tests. Het is maar goed dat ik een vak heb geleerd. Oerdegelijk moederen, concepten uitwerken en kleding ontwikkelen voor themaparken en af en toe een verhaaltje schrijven. Simpel als wat.
 
 

Harrewar

17 februari, 2017
Als je denkt dat de Harrewar (het kinderklimparadijs in oerburgerlijk maar heerlijk Hof van Saksen) alleen voor kinderen is, dan heb je het in ons geval mis. We houden het vijf minuten uit, de mister en ik, om de kids een proefrondje te begeleiden door het mega klimtoestel, maar daarna gaan we los.
We doen wedstrijdjes wie er als eerste boven is, tillen, slepen en duwen de kinderen de plateaus op en over, en spenderen zelf uren in de ballenbak. Hij bekogelt me, ik gooi terug. We werpen ballen door de cirkels hoog boven ons waar punten boven staan. Hoe hoger de punten, hoe kleiner de cirkel; zie daar maar eens zo’n licht plastic balletje doorheen te krijgen!
De kinderen begraven me in een zee van gekleurde ballen, totdat ik niet meer te zien ben. Ik lig heerlijk, luister naar hun gegiechel en bedenk me dat ik me nog altijd een meisje voel.
Ik ben vijfendertig, maar als iemand mevrouw tegen me zegt vind ik dat nog steeds vreemd klinken. Als ze beginnen te u-en word ik redelijk agressief.
Zit ik soms in de ontkenningsfase? Is het angst om ouder te worden, of tegenwicht voor het feit dat ik zo burgerlijk bezig ben? Alles wat ik vroeger namelijk kneuterig vond: een tussenwoning, een man, kinderen, een auto voor de deur, katten, een vaste baan, ik heb het allemaal. Is het uit pure paniek dat ik me krampachtig vasthoud aan mijn meisjes-zelf?
Ik kom overeind omdat ik me ineens belachelijk voel. Ik lijk potverdorie wel een kleuter! Maar dan word ik meteen weer besprongen door twee aapjes die me kopje onder duwen. Bedolven onder de ballen hoor ik ze schateren. Ik graai naar armpjes, beentjes en mis expres. Ze gieren het uit.
Ik heb ook eigenlijk geen idee hoe me als een keurige vrouw van vijfendertig te gedragen. Ik doe maar wat. Ik zeg alles wat ik denk, lach om de stomste grapjes, kijk alle Disney films mee, ben dol op die beren chippies, die kleine pakjes krentjes en perensap. Als de kids zitten te snoepen hoop ik altijd (tevergeefs) dat ze wat overlaten voor mij en Sint Maarten vind ik het einde. Het liefst graai ik zelf in die bakken snoep. Annemaria koekoek, tikkertje of verstoppertje spelen doe ik net zo lief voor mezelf en als de muziek hard staat ben ik de eerste die door de woonkamer loopt te springen en dansen. Ik ben paard, aap en mamatijger, verzin krankzinnige kinderliedjes en trek gekke bekken tijdens het eten. Absoluut niet iemand om mevrouw tegen te zeggen.
Als ik omhoog kom zie ik nog net hoe Sam de ballenbak uitklimt.
Het speelkwartier is voorbij, vanaf nu is het ieder voor zich: Aaf laten we een zeer ingewikkelde constructie in levensechte legoblokken bouwen (je kan immers niet vroeg genoeg beginnen met het kweken van een beetje ruimtelijk inzicht), the papa mengt zich in de voetbalkooi in een wedstrijdje met jochies van zes, Sammetje zet ik in de knutselhoek en zelf strompel ik, na een paar rondes door het klimtoestel en drie keer roetsjen van de gigaglijbaan, met een latte en een boek naar de kant. Uitgeput laat ik me vallen in een van de met rood leer beklede loungestoelen die "het gewone naar een buitengewoon niveau tillen" – om E.L. James maar even te citeren uit haar literair door mij zeer hoog aangeslagen Vijftig tinten grijs.
Net had het nog een goed idee geleken om met mijn 1.72 m als een soort slangenmens door smalle gangetjes te kronkelen, te manoeuvreren tussen boksballen die draaien, te hangen aan touwen en met gevaar voor eigen leven naar het hoogste plateautje te klimmen om me, alsof ik vijf ben, door die rode glimmende slurf naar beneden te laten glijden. Die overigens harder ging dan ik verwacht had. Nu heb ik overal blauwe plekken, ben ik buiten adem en voel ik de spieren in mijn onderrug en rechterbil protesteren. Het was de bedoeling de kinderen af te matten zodat ze om zeven uur als een blok in slaap zouden vallen en de mister en ik een heerlijk romantisch avondje samen konden hebben, maar ik geloof dat deze mevrouw met de buggy naar onze boerderij gereden zal moeten worden…
 

Tomkroes

10 februari, 2017
De kinderen zijn weg. Ik heb een ochtendje heerlijk voor mezelf en dus heb ik een tompouce gehaald, een latte macchiato klaargemaakt en Portnoy’s klacht geopend voor me op tafel gelegd. Dit is het einde. Even rust, voordat om twaalf uur de schoolbel gaat en de drukte begint.
Ik haal het roze koekdakje van de tompouce en leg het op de rand van het schoteltje. Het is een tic. Toen ik zwanger was van Sam at ik op het laatst elke dag een tompouce, dus ik weet inmiddels wat de smakelijkste manier is om het ding te verorberen. Het roze dakje – waar ze wat mij betreft drie lagen van hadden mogen maken, maar ze willen natuurlijk dat je blijft hunkeren, dat je alleen voor dat roze geglazuurde stukje bladerdeeg nog een tompouce aanschaft en naar binnen werkt – bewaar ik tot het laatst. 
Ik pak het kleine vorkje, prik er een hap vanillepudding met bladerdeeg op en breng hem naar mijn mond. Maar op de een of andere manier lukt het me niet om hem in mijn mond te stoppen.
Waarom, waarom, WAAROM moet ik me precies nu beseffen dat ik geen Doutzen Kroes lichaam heb? Een Doutzen Kroes lijf is voor iedereen behalve Doutzen Kroes überhaupt weinig realistisch, dus waar gáát dit over?
Waarom is het ineens zo zwaar klote dat ik het niet heb?
Ik zucht en laat langzaam het vorkje zakken.
Als ik Doutzen was dan kon ik tenminste zonder schuldgevoel een tompouce eten…
Ik rol met mijn ogen.
Alsof Doutzen Kroes alles is! Die foto’s van haar zijn allemaal gephotoshopt en het is toch verschrikkelijk om altijd onderweg te zijn, op je uiterlijk beoordeeld en door Jan en alleman aangegaapt te worden. Toch?
Onzin. Ik zag haar ooit bij de Minimarkt met haar kinderen en ze was potverdorie gewoon bloedmooi, rete slank en superrelaxed. Leuk met de kinderen ook.
Ik hoef die stomme tompouce niet!
Ik laat de vork op het schoteltje vallen en schuif het bij me vandaan. Even overweeg ik om het ding in de biobak te mieteren, maar dan herinner ik me mijn angst.
De angst dat ik na mijn bevalling instant zou veranderen in ma Flodder met kort pittig kapsel.
Het grote mysterie waar ik vroeger huiverend mijn brein over brak: wat drijft vrouwen er toch toe dat ze, als ze eenmaal getrouwd en met kroost geschopt zijn, de boel laten hangen, wapperen en waaien en voor het gemak kiezen?
Oké, kort haar bespaart shampoo, conditioner, warm water en tijd. Tentjurken met bloemetjesmotief zijn praktisch, want buiten dat ze alles verhullen, kunnen je kinderen er altijd nog onder kamperen als het echt moet, en niet scheren is natuurlijk warmer in de winter. Nog een bijkomend voordeel is dat je je geen zorgen meer hoeft te maken over mannen die naar je kijken en echtgenoten die jaloers zijn.
Mijn God! Welk een monster steekt de kop op na het krijgen van kinderen en kortwiekt bij vrouwen hun haren, hun libido en hun interesse in hun uiterlijk?
En als het hun kan overkomen, waarom zou het dan niet ook op mij loeren?
Hoe bang was ik wel niet dat het mij ook te grazen zou nemen en vrijwel direct (of dan zeker na een paar maanden) na mijn bevalling zou veranderen in het monster van Loch Mama?
Ik zag mezelf al rond oempaloempa-en op de huishoudbeurs met vijftien volgestouwde tassen, de Margriet en de Libelle lezen en fluitend rondrijden op de mamafiets. Maar behalve dat laatste is het allemaal niet gebeurd. Ik ben nog redelijk zoals ik was in de pre-mamatijd. Afgezien van het feit dat de dingen die wat mij betreft nou juist wel wat groter hadden mogen worden, na mijn bevalling juist zijn leeggelopen als twee ballonnetjes, ben ik redelijk in vorm, misschien zelfs wel slanker dan ooit. Dat is toch ook een prestatie? Nee, meer dan dat, een overwinning!
Ja, ik heb dat monster toch maar mooi het hoofd en het lichaam weten te bieden!
Ik trek het schoteltje naar me toe en prop snel een overheerlijke hap in mijn mond.