Lars

8 maart, 2017
bron:
Men zegt dat skiën net zo is als fietsen – je verleert het nooit. Toch vond ik het vorig jaar knap lastig om als een kamikaze naar het dal te moeten leunen op ski’s die voor mijn gevoel twee maten te kort waren in vergelijking met mijn lichaamslange latjes van vroeger. En daarom besloot ik dit jaar eerst twee uur privéles te nemen.
Nadat ik Aaf bij haar klasje af had gezet en op het terras in het sterke ochtendzonnetje een slappe latte macchiato achterover had geslagen, stapte ik vol goede moed naar de houten blokhut waar de vlag van Prozell Skischule op prijkte.
Bij een kale Oostenrijker, van ik schat een jaar of zestig, met harde stem en de contouren van een zonnebril om zijn ogen, meldde ik dat ik gearriveerd was voor mijn privéles. Met zijn blik volgde hij mijn lichaam.
"Niederlands?"
Ik knikte. Was dat te zien?
"Komm mit mir," zei hij. Hij greep nog net mijn hand niet.
Gedwee liep ik achter hem aan naar een meute skileraren, te herkennen aan hun smurfenblauwe ski-jacks met Prozell Skischule logo.
"Privat hier!" schreeuwde grote kale smurf met de wit getatoeëerde zonnebril, die blijkbaar de leider was van het hele spul.
Alle koppies draaiden in mijn richting. Vertwijfeld hief ik een hand op en glimlachte terug naar alle zwaar zongebruinde gezichten verborgen achter zonnebrillen waarin ik mezelf in alle kleuren van de regenboog terug zag.
"Gut! Lars ist dein Lehrer," sprak de leider alvorens hij zich omdraaide.
Ik zag mezelf groter worden in de brilglazen van een oh oh cherso gebruinde David Hasselhoff met grof gebreide zwarte muts.
"Hi! Welkom! Ich bin Lars, und du heißt..?"
"Jordana." Ik schudde zijn uitgestoken hand.
"Hallo, Jordana. Deutsch, Holländisch?"
"Holländisch," zei ik, terwijl ik tevergeefs poogde mijn hand terug te krijgen. Hij legde zijn andere er nog eens bovenop.
"Super! Ich spreek ein beetje Nederlands!"
"Oh, fijn." Ik rukte mijn hand los.
"Is dit jouw erste maal?"
In het Duits legde ik hem uit dat ik vorig jaar voor het eerst in zestien jaar weer geskied had en het me niet zo goed af was gegaan. Met een paar grapjes illustreerde ik mijn klungeligheid. Het kwam er op neer dat ik geen beginner was, maar ook nog lang niet gevorderd. ‘Und ich habe Angst,’ voegde ik daar nog aan toe.
Hij zei een tijd niets, maar had niet breder naar me kunnen glimlachen. Ik slikte. Zag ik er zo gek uit? Mijn haar zat verstopt onder een witte helm, mijn ogen achter een pilotenzonnebril en mijn lichaam onder drie lagen kleding, waaronder een gewatteerde. Wat had het voor zin om naar een Michelinmannetje te staren?
Hij nam me mee naar de oefenweide, waar ik voor moest skiën. Een keer zonder en keer met stokken.
Onder luid en zwaar overdreven “Ah, sehr gut, Jordana!” gingen we door naar de blauwe piste.
Tussen kinderen met gele hesjes die in flug als pulletjes achter een hoogblonde mama-eend in blauw skipak aan de berg afsuisden alsof ze nooit anders gedaan hadden, volgde ik Lars soepeltjes naar beneden. Oefenweides en blauwe pistes waren het probleem niet, het ging om die rode en zwarte. Altijd als ik de diepte zag begon ik te verkrampen en bakte ik er helemaal niets meer van, bang om te pletter te vallen of iets te breken, legde ik hem uit. Maar Lars was toch “positiv überrascht” en dat gebeurde hem niet vaak.
Toen hij me zag aarzelen bij de sleepjeslift (ik ben ooit een keer met mijn jas aan zo’n ding blijven hangen) twijfelde hij geen seconde. Hij sloeg zijn arm om me heen, bracht zijn gezicht dicht bij het mijne en zei dat we dit klusje wel even samen zouden klaren. Een ogenblik later zat ik naast Lars op zo’n verdomde trekhaak, terwijl de hand die hij stevig op mijn rug hield, steeds lager kroop. Ik staarde naar mijn skistokken en vroeg me af of ik er een tussen zijn benen moest planten, maar in plaats daarvan vroeg ik naar zijn vrouw en kinderen.
Nog een keer van de blauwe piste gingen we. Voor de tweede keer samen op de sleephaak naar boven, hij weer met zijn arm om me heen, opperde hij om nu van de rode piste te gaan. Dan moesten we minstens tien minuten in zo’n stoeltjeslift. En o, wat boften we dat we als leraar en leerling overal voor mochten en naast elkaar konden zitten.
Lars zorgde er de hele rit voor dat zijn linkerbeen mijn rechter raakte, hoeveel ik ook naar links bewoog.
Mijn ergernis verbergend achter grapjes en grolletjes, stomme vragen en verwijzingen naar het heerlijke weer, kwamen we na ruim tien minuten boven op een werkelijk prachtige plek, met uitzicht over besneeuwde bergtoppen tegen een strakblauwe hemel. Ik zoog de frisse lucht naar binnen en liet mijn wangen opwarmen door de zon. Lars verstoorde mijn momentje door naast me te komen staan en met zijn hand over mijn rug te wrijven.
"Kein angst haben, liebe Jordana. Ich bleib de hele tijd bij jou."
Als ik ergens angst voor had dan was het om het logge lichaam van Oostenrijkse boerenkool Lars zwoegend en glimlachend boven me te zien hangen.
Nog voordat hij zijn hand van mijn rug had, liet ik me van de berg glijden. Als een malle skiede ik naar beneden, genietend van de snelheid en lachend om de kapriolen die ik moest uithalen om Lars te ontwijken en vallen te voorkomen.
Zonder moeite roetsjte ik daarna nog twee rode en een zwarte piste af.
Ik was klaar, zei Lars, er was niets meer dat hij me nog kon leren. Ik was het met hem eens.
Misschien is het waar en is skiën net als fietsen. Maar ik acht het waarschijnlijker dat mijn nieuwe angst voor handtastelijke skileraren mijn vrees om te pletter te vallen voorgoed heeft genezen.
 

Reageren




Reactie plaatsen