Stad van mijn hart

14 april, 2017
Zes jaar geleden verliet ik de stad van mijn hart. Amsterdam, waar ik geboren ben, waar mijn familie vandaan komt en waar ik achttien jaar mijn dagen sleet, ruilde ik in voor Haarlem. Van de ene op de andere dag hadden we het idee onze stad ontgroeid te zijn en dat was dat.
 
In de trein naar mijn oude stad afgelopen zaterdagochtend moest ik denken aan mijn bijbaantje als schoenenverkoopster bij dr Adams in de Oude Doelenstraat.
Vijf jaar lang liep ik Iedere zomerse zaterdagochtend van het centraal station over de Zeedijk en de Oudezijds Voorburgwal naar de winkel, met het zonnetje net boven de daken van de herenhuizen, wat eendjes in de gracht op hun drijvende nesten van bij elkaar gesprokkeld riet, her en der wat prostituanten, junks, dealers en pooiers en misschien ergens een verdwaalde toerist, maar verder niemand. Het verre geluid van de trambel en het terug klappen van de eerste trede van de tramtrap, die net verlaten werd door de voet van een in- of uitstappende passagier, was het enige dat de rust verstoorde. Het ontwaken van de stad maakte een verknochtheid in me wakker die me deed vergeten dat ik er kwam om te werken. Eenmaal bij de winkel draaide ik het rolluik omhoog en schoof de glazen pui open. Er hadden zich heel wat taferelen afgespeeld voor die doorzichtige muur, van heroïne spuitende junks en handkarrende mannen, tot arrestaties, of zelfs een combinatie daarvan – een heroïne spuitende rukker die met zijn blote snikkel tegen het raam gedrukt werd door een potige politieagente, terwijl ik fatsoenlijk een paar Roots probeerde af te rekenen.
Lenny Kravitz, Gordon Sumner, Michael Jackson, Johnny Depp, Beyoncé, Kelis, Wyclef Jean en Brad Pitt voorzag ik zonder blikken of blozen van schoenen. Het kon allemaal in Amsterdam.
In de winkel draaiden we de hele dag alle Clubtracks R&B cd's, in het magazijn zongen en dansten we op de plaatjes mee. 
We kregen altijd vrijkaartjes voor de coolste party's, maar ik was verzot op hiphop, wat alleen werd gedraaid in de discotheken die geen doorbitch hadden en er over het algemeen om bekend stonden de kneuzen die elders geweigerd werden binnen te laten. Tussen de kleurrijkste mensen beleefde ik de beste feestjes.
Midden in de nacht liep ik dan van het Rembrandts, het Singel of het Leidse naar het Centraal station, waar ik in mijn uppie op de laatste nacht- of de eerste ochtendbus wachtte.
Er kon me niets gebeuren in mijn stad.
‘Amsterdam Centraal station, eindpunt van deze trein,’ klonk het door de luidsprekers. Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen. Gedwee stapte ik uit en sloot aan in de enorme rij voor de roltrap. Eenmaal buiten probeerde ik tussen het toeristengedruis, de auto’s, geluidloze taxi’s, trams en fietsers door de prins Hendrikkade over te steken. Het zweet stond op mijn voorhoofd. Was het hier altijd al zo druk?
Op de Zeedijk werd ik van de stoep verdreven door een groep Chinezen en weer op het trottoir gedwongen door een horde Fransen op gele fietsen.
De Nieuwmarkt was volgebouwd met terrasjes waar geen tafelblad en vrije stoel meer op te bekennen was. Zelfs de hoeren waren door de drukte voor hun ramen niet meer te zien. Ik keek op mijn horloge, half elf.
Waren er eigenlijk nog wel pooiers? Junks? En waar liepen de authentieke Anita’s die je aanspraken met ‘moppie’, ‘schat’ of ‘wijffie’? 
Bij een achenebbisj bakkerswinkeltje at ik voor negen euro nog geen tien centimeter glutenvrije quiche met een paar blaadjes sla. Geparkeerd voor vijf euro per uur aan de kade van de Kloveniersburgwal stonden alleen nog maar dikke wagens. In de etalage van een makelaarskantoor zag ik vraagprijzen van bijna vier ton voor appartementen van nog geen vijftig vierkante meter, zonder balkon.
Op het midden van het Rembrandtplein, waar ik ooit nog weleens mijn roes had uitgeslapen, zag het zwart van de toeristen die op de foto wilden met de in brons gegoten burgercompagnie naar beeltenis van Rembrandts Nachtwacht.
Wachtend op de tram naar de Watergraafsmeer hoorde ik alle talen, behalve Nederlands.
Was dit de stad waar ik nog altijd zo naar verlangde?
Een dag later lag ik heerlijk in het Amstelpark, wat tien jaar lang mijn achtertuin geweest was, op een kleedje in het zonnetje tijdens de Pure Markt. De sfeer was gezellig, een mengelmoes van mensen, culturen, kraampjes met leuke spulletjes en lekkere hapjes en muziek, niet mainstream, zei mijn vriendin. Niet mainstream? Vroeger lag ik in dit park in mijn bikini, zag er soms niemand behalve die aardige parkwachter die me er op attent kwam maken dat het park ging sluiten. Nu hadden we ons plekje op het grasveld bijna met geweld moeten veroveren. Later bij de speeltuin was er geen plukje gras meer te zien. Honderden mensen bevolkten het in mijn geheugen zo idyllische plekje. Waar ik dacht mijn kinderen vrij te kunnen laten spelen, verloor ik ze steeds uit het oog in de massa en zat ik er met samengeknepen billen bij.
En terwijl ik die namiddag met een boek en een glas wijn op mijn oerdegelijke loungebank in mijn oerdegelijke Haarlemse tuintje neerplofte, de kinderen voor de deur spelend met de buurtkindjes, realiseerde ik me dat wij Amsterdam nooit ontgroeid waren, Amsterdam had ons verdreven.
 

Ria Verheul

13 mei, 2017 om 19:23

Dit verhaal is zo herkenbaar voor mij. Ook opgegroeid in Amsterdam en verhuisd. En als ik er ben komen alle herinneringen weer naar boven. Was er vandaag toevallig. op de Dappermarkt, op de Ouwezijds etc. Hoorde inderdaad chinees om mij heen, engels, italiaans en ga maar zo door. En toen was mijn heimwee gevoel weer ineens over. Groetjes van Ria, je nieuwe achternicht. Je lijkt trouwens op mijn dochter Sharon, al heeft zij donker haar. En angst, dat is echt een Querido kwaaltje. Had mijn moeder ook altijd en Rinus zijn moeder ook, altijd waarschuwen voor van alles en nog wat. daar werd je gek van. (Nog steeds!)

Reageren




Reactie plaatsen