Springstof

12 mei, 2017
Aaf springt hoog op de trampoline en laat zich vervolgens op haar billen vallen, waarna ze weer omhoog stuitert en op haar voeten probeert terecht te komen. Het ziet er klungelig uit en soms lijkt het net alsof ze met haar hoofd op haar knieën zal klappen. Vanuit de keuken aanschouw ik het tafereel met samengeknepen billen. ‘Niet te hoog springen en op je kont neerkomen, straks klapt je nek dubbel of je kin op je knieën!’
Meteen nadat ik het heb geroepen klimt Aaf van de trampoline af.
‘Dan hoef ik niet meer te springen,’ zegt ze verdrietig.
Heb ik haar nu bang gemaakt?
Ik was vroeger net zo argeloos en impulsief als zij, alleen een stuk koppiger. In geen honderd jaar had ik me door mijn moeder van die trampoline laten kletsen.  
Al had ze bewonderenswaardig veel geduld, als het op pret aankwam drukte mijn moeder die al voordat deze daadwerkelijk begonnen was, door me op alle gevaren te wijzen.
Uit tegendraadsheid werd ik een soort tomboy, maar wel een met een bord voor haar kop.
Ik rende met mijn handen in mijn zakken (al had ik daardoor al een keer mijn neus gebroken), ontsnapte uit de tuin en fietste als ukkie bijna het dorp uit, klom in bomen, schommelde mezelf een gat in mijn kop, liet mijn paard op de dijk terug naar huis galopperen met de teugels los, nadat ik een paar honderd meter met mijn voet door de stijgbeugel achter hem aan was gesleurd, dook van de hoogste duikplank, trotseerde wildwaterbanen met de grote jongens, ging tien keer in de Python, giechelde waar iedereen huilde tijdens het abseilen van een klimmuur en ging geen enkele ruzie uit de weg.
Ik vond mijn moeder altijd maar een zeur, want als het aan haar lag moest ik al bang zijn voor een kussengevecht, een likje aan een bot mes of een sproeier in de tuin, ‘het gras is nat, je gaat vallen!’ hoor ik haar nog zeggen. En alsof het onheil daarom over me afgeroepen werd, ging het dan ook precies altijd mis. Als ik iets argeloos deed gebeurde er nooit wat, maar zodra zij me op het gevaar had gewezen leek het in me te kruipen om mijn coördinatie te verstoren en mijn hersenen te verweken. Als het dan fout ging werd ik boos op haar en moest ik bewijzen, aan haar, maar vooral aan mezelf, dat ik het wel kon.
Nu ben ik de angsthaas. 
Eigenlijk al sinds mijn zwangerschap, realiseer ik me nu. Sindsdien ligt gevaar in de meest uiteenlopende hoeken op de loer: van rauwmelkse kazen, honing, roofvissen, alcohol, sigarettenrook, te zwaar tillen, zonlicht en te weinig slapen tot wiegendood, ongesteriliseerde flessen, kraanwater en koortslippen. Niet te warm, niet te koud. Oppassen voor de katten, want die konden uit jaloezie weleens je baby’s ogen uitkrabben.
Ja, sinds mijn zwangerschap is mijn wereld van een speeltuin in een survival parcours veranderd.
Ik schijn ook een radar te hebben voor horrorverhalen. Het is altijd een vriend van een vriend of een neef van een kennis van een buurman die het overkomt – van auto’s die met kinderen en al de gracht inrijden omdat ze vergeten zijn hem op de handrem te zetten tot een peuter die stikt in een cherrytomaatje – maar ze komen allemaal even hard binnen.
Hoe lang ben ik al bezig om al die angsten op mijn kinderen te projecteren en hoe vaak heb ik hun pret al bedorven door hun op alle gevaren te wijzen?
In mijn hoofd ga ik alles langs. De krampachtigheid waarmee ik hun nekjes ondersteunde toen ze nog te klein waren om hun hoofd zelf overeind te houden, de uitleg die ik ze gegeven heb over de dood, over vreemde mensen, over verdwalen, over in het water gaan, over klimmen, het lijken ineens allemaal plezierbedervers. Wat als ik te beschermend ben? Sam durft amper zelf zijn bed uit te klimmen, Aaf blijft stokstijf staan als ik haar naam roep, vaak benoemen ze zelf al op voorhand de gevaren van hun onderneming. Wat als ik met al mijn zorgen de lol van alles af heb gehaald?
Ze willen klimmen, springen, vallen, rennen, glijden en duiken en dat moet ook. Ze moeten zich kunnen bezeren, hun eigen fouten maken. In plaats van ze dwangmatig op alle gevaren te wijzen, kan ik ze misschien beter voordoen hoe het wel en niet moet.
 
Aaf ploft naast Sam op het net aangelegde kunstgrasperkje.
Ik schuif de groente opzij, laat het mes in de gootsteen vallen, droog mijn handen af en stap naar buiten.
‘Kom op jongens!’ zeg ik, terwijl ik de kids van de grond pluk.
‘Wat gaan we doen?’ vraagt Aaf.
‘Wie het hoogst kan springen op de trampoline!’
 

Reageren




Reactie plaatsen