Wenskabouter

19 mei, 2017
Opa heeft een lichte beroerte gehad. Vandaag zal het er om spannen of hij zijn rechterbeen nog kan gebruiken. In de auto naar het Slotervaartziekenhuis, de plek waar ik ter wereld kwam, spookt er van alles door mijn hoofd.
Oma is nog maar net klaar met haar bestralingen, en nog geen maand geleden was ik hier voor mijn andere oma, die hier lag met een longvliesontsteking.
Het is evident. Het leven is vergankelijk en ieder moment kan het verlies toeslaan.
Ik sla af en parkeer op het terrein bij het ziekenhuis. Tegenwoordig betaal je hier net zoveel voor parkeren als in een drukke winkelstraat in Haarlem, maar dat neem ik voor lief.
De lucht is even grauw als de omgeving, al steekt het eerste groen aan de bomen hier wel mooi tegen af. Ik bekijk het troosteloze gebouw dat steeds groter wordt naarmate ik dichterbij kom, maar daarmee ook steeds verder van mij verwijderd lijkt. Deze plek herbergt de man die als scheepsknaap de hele wereld heeft gezien. De man die zalen vol krijgt met zijn authentieke Amsterdamse zangstem, de man die prachtige olieverfschilderijen schildert en de man die mijn oma gelukkig maakt.
Ik stap door de draaideur naar binnen en buig automatisch af naar de cadeauwinkel naast de cafetaria. Ik moet iets voor hem meenemen, iets liefs.
Naast het schap met de beertjes die hartjes vasthouden, staat een molen met stenen miniatuurkaboutertjes met een wens erop geschreven. De kaboutertjes zijn gekooid in kleine plastic doosjes.
Ik kan een glimlach niet onderdrukken.
Opa maakte ons vroeger altijd wijs dat kabouters echt bestonden. Op de camping in Nunspeet, waar ik als klein meisje heel wat zomervakanties doorbracht, stonden stenen kabouters in de tuin waarvan de kleuren nooit vervaagden omdat opa ze ieder jaar schilderde. Als mijn broertje en ik sliepen, verplaatste opa de kabouters. ’s Ochtends renden we dan naar buiten om David en zijn vrienden op andere plekken te vinden. Opa verzon hele verhalen over wat die kabouters allemaal hadden uitgespookt. Voor het slapengaan las hij ons voor uit het Grote Kabouterboek, een boek dat voor kinderen al twee maten te groot was, laat staan voor kabouters. Toen hij me op mijn tiende nog steeds probeerde te overtuigen van het bestaan van kabouters, schoot ik uit mijn slof waar mijn broertje bij was. Voor het eerst had ik straf van hem gekregen.
Snel kies ik het kaboutertje dat ‘veel geluk’ wenst en reken af bij de kassa.
Ik haast me naar de intensive care op de zevende verdieping. Niet omdat ik haast heb, maar omdat alles aan een ziekenhuis me nerveus maakt. Waar de meeste vrouwen reikhalzend uitzien naar een ontmoeting met een charmante man in witte jas met dr. op zijn naamplaatje, heb ik altijd de neiging om keihard weg te hollen. Ik versnel mijn pas, kijk recht voor me uit en probeer een bekend stemgeluid te onderscheiden in al het gefluister, gekerm en gepiep van apparatuur. Als ik mijn opa hoor, blaas ik mijn ingehouden adem uit.
‘Kijk nou eens wie daar is!’ roept hij blij.
Hij ziet er beter uit dan ik verwacht had. 
Nadat hij verteld heeft wat er precies gebeurd is en hoe het nu verder moet, geef ik hem het cadeautje.
‘Het is maar een kleinigheidje,’ zeg ik.
Terwijl opa moeizaam het pakje open probeert te maken, galmt voor de zoveelste keer het vreemd jengelend en tegelijkertijd zuigende geluid van een beademingsapparaat door de zaal, het heeft iets weg van het Islamitisch gebed dat bij moskeeën in Istanbul door de speakers klinkt, maar dan zachter. 
Opa trekt het laatste stukje papier eraf. Zodra hij het kaboutertje ziet springt er een fonkeling in zijn ogen. 
‘Weet je nog, Jordana, dat grote boek?’
Ik glimlach. De rest van het bezoekuur zijn we weer samen op de camping in Nunspeet.
 
 

Reageren




Reactie plaatsen