Russst

3 februari, 2017
Na vier dagen werken maak ik me weer op voor de grote Entertainment Weekly show. Of daily. Of in ons geval dag- en nachtly.
De show start wanneer de oogjes open schieten. Het ochtendritueel kennen jullie inmiddels, maar daarna begint het pas echt: niets even op je gemak je mail checken, je ontbijtshake drinken, je krantje lezen of aan je lief vragen of hij lekker geslapen heeft en wat zijn plannen zijn voor vandaag, je ochtendroes wordt direct verstoord door “Mama, mag ik een slokje?” of  “Mama, wat heb jij? Waarom drink jij dat?” om vervolgens te horen “Mama, ik heb honger.” Maar dat geeft allemaal niet, ik ben nog altijd een redelijk ochtendmens; dat frisse gevoel van een verse dag houd ik vrij lang bij me. Zelfs nog met een aapje aan mijn been en een tetter in mijn oor die daarvoor als twee tasmanian devils door de woonkamer zijn gestormd en een ravage hebben achtergelaten.
Pas bij de vijfhonderdste keer “Mama,” “Mami,” “Mam,” en “Máaahaaamaaa,” breek ik.
Even een kopje koffie drinken, een telefoontje plegen, opruimen, de was doen, zelfs naar de wc gaan is niet mogelijk in rust. Echt, de laatste keer dat ik ’s ochtends normaal (zeg maar alleen) naar het toilet ben geweest kan ik me niet heugen. Aankleden ook niet, en laat ik douchen niet vergeten. Dat doe ik tegenwoordig in fast forward, omdat ik nerveus word als ze in de badkamer rellen, maar als de dood ben dat ze daarbuiten de tent afbreken. Wat dat betreft zijn baby’s wel handig: die leg je in een box met een knuffel en een rammelaar of zet je in een wippertje, zodat jij even rustig een grote boodschap kunt doen.
Goed. Mijn kinderen kunnen zichzelf op zich prima entertainen, alleen niet als ik er ben.
“Mama, kom je tijgertje spelen?”
“Mama, mag ik kleien?”
“Mama, kijk eens wat ik gemaakt heb?”
“Mama, wil jij me helpen?”
Misschien komt het wel omdat ik zo vaak ja zeg. Dat is sowieso wel een dingetje.
Maar vandaag is het me gelukt. Ik heb eindelijk een modus gevonden. De heilige graal voor de eeuwige entertain-ouders. En nog wel dankzij mijn eigen mister.
“Je moet ze aanzwengelen,” had hij gezegd.
“Aanzwengelen?”
“Ja. Gewoon, aan het werk zetten. Kieper bijvoorbeeld de hele Lego bak om, ga er naast zitten, begin met bouwen en als ze dan eenmaal bezig zijn, piep je ertussenuit. Zo doe ik het en het werkt altijd.”
De eerste drie keer dat ik het “aanzwengelen” probeerde faalde ik jammerlijk, maar dat kwam door de pijnlijke beginnersfouten:
Ik maakte een kopje koffie, koffie betekent koekje, dus had ik direct twee hooligans die “Koekje, koekje, koekje!” scandeerden.
De tweede keer had ik de koffie al klaar staan, maar maakte ik de fout om de snoep -en koekla open te trekken. Blijkbaar hebben alle lades in mijn keuken een karakteristiek geluid, want zodra ik die la opentrok stonden er alweer twee spitsmuisjes naast me te piepen om een snoepje.
De derde keer had ik het helemaal uitgedacht: De koffie stond klaar, een kitkat mini lag ernaast, ik kon gewoon niet wachten. Na het aanzwengelen sloop ik naar mijn hoekje, ging zitten in de stoel, pakte de kitkat, trok het zakje open en… Daar waren ze weer.
“Mama, wat heb jij daar?”
Om het aanzwengelplan te laten slagen moet je dus geen snoep en koek verpakt in knisperende papiertjes in huis halen (ook beter voor het milieu trouwens), pantoffels of sokken hebben waarmee je je vrijwel geluidloos kunt bewegen en je koffie drinken zonder een lepeltje erin. Een hele zwendel dus, maar dan heb je wel wat.
Een kwartiertje voor jezelf. Heerlijk.
 
 

Eindig

27 januari, 2017
In een boerderij op het Groningse platteland, omgeven door een besneeuwd landschap en kleurrijke mensen, heb ik even de tijd om me te verdiepen in mijn wereld. De wereld in mijn hoofd die in 145.000 woorden omschreven, uitgeprint op 341 a4tjes op iemands bureau ligt om te beoordelen.
Het is heerlijk om even verstoken te zijn (voor zover dat mogelijk is met 4G en Wifi) van de normale dagelijkse input aan informatie en geheel in mezelf te kunnen keren.
En terwijl er 248 kilometer zit tussen mij en the objects of my affection, treft het me hoeveel ik van ze houd. Hoe die liefde door mijn bestaan vloeit, me overspoelt, maar meestal omsluit als een heerlijk warm bad waar ik me het liefst compleet in onderdompel. Ik weet heus wel dat ik een emotioneel tiepje ben, dat mijn gemoedstoestand op en neer springt als een kapucijnaapje op steroïden, maar wat altijd consistent blijft is mijn onbegrensde liefde voor mijn allerliefsten. Iedere keer denk ik dat het niet mogelijk is nog meer van die twee heerlijke garnaaltjes (Sam zegt altijd “garnagels”) te houden, maar dan lijkt mijn hart toch weer uit te zetten van een propje tot een luchtballon.
En terwijl ik mijmer over grenzeloos houden van, sterft er iemand. Iemand anders’ dierbare. De tijd staat even stil. Want zo kan het ook. Het kan ineens voorbij zijn. Een ongeluk of een ziekte, er ligt genoeg op de loer.
En terwijl ik het liefst al het verdriet zou wegnemen bij degene die nu haar dierbare moet missen, realiseer ik me hoe fragiel het leven is en hoe kwetsbaar ik eigenlijk ben.
Het verdriet in haar ogen overmant me en raakt me op een plek die ik nog niet zo goed van mezelf ken en waar ik niet graag kom.
Toen Sammetje niet leek te ademen bij zijn geboorte, heb ik minutenlang krachteloos gehuild. Een oersnik die uit mijn tenen kwam en mijn vermoeide lichaam in een greep hield die pas verslapte toen de kraamhulp kwam vertellen dat hij toch ademde. Het duurde een paar dagen voordat dat beklemmende gevoel weg was. Ik vraag me soms nog weleens af of ik nog had kunnen ademhalen als hij dat niet had gedaan. De eerste weken vond ik het moeilijk om me te hechten, zelfs het eerste jaar vond ik het lastig om hem los te laten en tegelijkertijd dichtbij te houden, uit angst dat ik hem toch nog kwijt zou raken. Alsof we in reservetijd zaten, of bonustijd eigenlijk meer. En zo voelt dat nog iedere dag, bonustijd, een cadeautje. Wie weet wat de morgen brengt, maar vandaag heb ik. Het besef dat alles vergankelijk is doet me intenser genieten, dieper liefhebben, assertiever handelen. Misschien wel net zoveel uit overgave als uit angst. En nu zie ik die angst waarheid worden bij iemand anders.
En terwijl de sneeuwvlokjes in Groningen als kleine veertjes van de takken op de grond dwarrelen, besef ik dat het om de reis gaat die we samen maken. Hoe die vlokjes ook dwarrelen, hoeveel goeds of slechts ze ook brengen, doet er niet toe. Zodra ze op de grond vallen versmelten ze met het water in de voetafdruk die een wandelaar daar heeft achtergelaten. En zo gaan ze. En zo gaat het. 

Oermoeder

19 januari, 2017
Toen ik zwanger werd heb ik me stellig voorgenomen om vooral niet zo’n moeder te worden die haar kinderen voortrekt, ze niets ontzegt, langs de kantlijn bij voetbal of dansen instructies loopt te blèren en die als haar kind pest of gepest wordt meteen door roeien en ruiten gaat zonder eerst even aan te horen wat er precies aan de hand is. Een nobel voornemen dus. En tot vorige week had ik dat redelijk voor elkaar.
De eerste schooldag na de kerstvakantie was voor Aaf een heftige, ze stribbelde ’s ochtends al tegen, dus ik had me reeds ingesteld op weinig enthousiasme voor het feit dat ik (voor de verandering) op maandagmiddag bij het schoolplein stond om haar op te halen.
Maar dat de pretlichtjes binnen tien seconden al doofden en plaatsmaakten voor tranen, kwam toch als een redelijke verrassing.
            ‘Ik wil papa.’
Nou, oké, dat kon ik me voorstellen. Papa is ook leuk. Ik sloeg mijn arm om haar heen, gaf haar een kus op haar bol en loodste haar mee naar de auto. Het regende en Sammetje lag thuis nog ziek in bed te slapen dus enige haast was geboden.
Eenmaal in de auto werd het niet vrolijker. Nadat ik haar in de gordel gegespt had, de nattigheid van me afschudde en achter het stuur plaatsnam, hoorde ik een klein stemmetje vanaf de achterbank dat ik niet van haar kende.
            ‘Ik wil niet meer naar school,’ piepte ze. Zo zacht dat ik het nauwelijks verstond.
            ‘Wat zeg je nou?’
            ‘Ik wil niet meer naar school.’ Nog steeds op een mespuntje van haar normale vermogen.
            ‘Waarom niet?’ Inmiddels trok ik op.
            ‘Ik wil niet meer naar school omdat P. me anders weer pijn doet.’
En daar gingen mijn goede voornemens. Ik voelde ze zo mijn hoofd uitglijden, tezamen met alle kalmte. 
            ‘Wát zeg je?’ Ik wilde me naar haar omdraaien om haar aan te kunnen kijken, maar realiseerde me op tijd dat ik aan het rijden was.
             ‘Ik wil niet dat P. me pijn doet.’ Weer zo zacht dat ik het bijna niet kon verstaan.
Met een zwaai aan het stuur stonden we aan de kant van de weg.
Je moet kalm blijven, herhaalde ik vijftig keer achter elkaar, maar ik kon wel brullen vanbinnen. Ik ademde diep in en probeerde haar met mijn blik te dwingen om me aan te kijken, zonder dat ze zou voelen hoe ik inwendig in alle staten was. Wie doet mijn kleine meisje pijn? Wat heeft hij gedaan? Geschopt, geslagen, gebeten of geduwd? Heeft hij gedreigd om het weer te doen? Waarom heeft de juf me daar niets over verteld? Verdomme, hoe durft iemand mijn kleine meisje pijn te doen!
            ‘Aaf, je moet me nu echt zeggen wat er gebeurd is. Wat heeft P. precies gedaan?’
Geen antwoord.
Ik moet de auto maar omkeren, dacht ik, en terugrijden en aan de juf vragen wat er gebeurd is. Maar Sam ligt nog thuis. Nee, dan moet ik toch eerst naar huis en dan terug. Of gewoon naar P. lopen, want woont hij niet ergens bij ons om de hoek? Als ik zijn kop van zijn romp trek zal zijn moeder me vast niet meer zo aardig vinden…
Dat was natuurlijk wel een dingetje. Maar wat kon mij dat schelen? Hij moest de waarheid weten en ook maar meteen goed in die kleine pestkop oortjes knopen dat met mij, noch mijn dochter, niet te sollen valt. Zoiets moet je meteen de kop indrukken. En als de juf dat niet deed, dan maar zelf! Wroah!
            ‘Aaf, wat heeft P. gedaan?’ Mijn stem nu onheilspellend laag.
            ‘Hij ging met I. spelen.’
            ‘Wat?’
            ‘Hij ging met I spelen. En ik wilde met I. spelen. En met M., maar die ging ook met P. spelen.’
De oertijger in mijn binnenste geeuwde en ging weer rustig liggen.
Ik liet me achterover vallen in de autostoel en schudde mijn hoofd. Een mini tornado in een BMW 1-serie.
            ‘Aaf, dat kan toch gebeuren. Dan ga je toch gewoon met iemand anders spelen? Of zelf iets doen wat je leuk vindt?’
            ‘Ja, dat weet ik wel, mama.’
            ‘Dan hoef je nu toch niet zo verdrietig te zijn? Morgen is weer een nieuwe dag, dan ga je morgen met I. spelen. En als I. niet wil, dan speel je gewoon met iemand anders. Ga je met W. spelen, want die wil altijd wel met jou spelen.’
            ‘Ja, maar ik wil niet met W. spelen.’
Ik zucht. En glimlach terwijl ik weer optrek.
 
 

Malaise

15 januari, 2017
Germs, ze zijn overal. Ik sta er iedere keer weer versteld van hoeveel snot er uit die kleine neusjes komt, je zou denken dat het bij die kleintjes maximaal een derde zou zijn van het groene slijm dat wij grown ups produceren, maar niets is minder waar. Er gaan hier gestaag 4 tissue boxen per week doorheen.
Ons gezellige samenzijn met de kerst heeft de complete familie lamgelegd.
Het begon bij mijn broertje, toen mijn nichtje, beide oma's en opa's, Aaf, mijn schoonzus, mijn moeder, de mister, Sam en nu hebben ze mij bereikt.
Ik moet bekennen dat ik misschien twee keer in mijn leven echt griep heb gehad – daarentegen wel drie keer een voedselvergiftiging en één acute blindedarmontsteking. Allen lichtjaren geleden, toen ik nog jong was, en uitgeslapen en kinderloos en superfit. Nu dat de jeugdigheid eraf is, ik me niet meer kan heugen wanneer ik voor het laatst acht uur achterelkaar heb kunnen slapen en zo fit ben als een uitgekauwde hoen, moet ik toch toegeven dat mijn weerstand beter is dan ever. Ik word overeind gehouden door mijn ontbijtshake (vraag me niet wat er in zit en of het gezond is, het werkt in ieder geval bij mij) tweemaal daags voedingssupplementen, chlorella en als ik een verkoudheid voel opkomen een vitamine C bruistablet als toetje. Daartussenin en omheen eet ik amper snoep, hooguit 3 koekjes per dag, een stuk fruit, geen vlees en veel groente.
Dat ik mijn gereduceerde suikerconsumptie ruimschoots compenseer met mijn alcoholinname laat ik even buiten beschouwing.
Ik heb werkelijk geen idee of het allemaal werkt, maar aangezien ik nu nog als enige overeind sta, met alleen een beetje snot, koppijn en een licht hoestje, durf ik niets aan mijn dieet te veranderen.
Ik lijk wel vaak ziek, omdat ik schitter van afwezigheid op mijn werk om thuis te zijn bij de (zieke) kinderen. De germs komen namelijk in grote getale en verschillende varianten, voornamelijk via de crèche en de basisschool, als een Trojaans paard mijn huis in om hun slag te slaan – al dan niet tezamen met hun grote vriend de Luis. O, en laat ik vooral de katten niet vergeten, via wie ringworm en hordes vlooien zichzelf naar binnen hebben weten te smokkelen. 
We worden continu belegerd en zijn ons steeds preventiever aan het weren, in het geval van de kinderen tot nu toe zonder aanwijsbaar positief resultaat, behalve dan het feit dat ze nog leven. Ik vind dat ouders zichzelf daarvoor best wat vaker een schouderklopje mogen geven: het is gewoon een germ jungle out there!
Ik kan ook niet zeggen dat het in de zomer beter is dan in de winter, want de vijfde tot de honderdste ziekte, waterpokken, krentenbaard, hand-voet-en mondziekte (niet te verwarren met mond en klauwzeer, ook al zit het wel in je giechel en op je klauwen) en het RS virus kennen geen seizoensrestrictie, ze komen en gaan wanneer ze willen.
Gelukkig hebben we, na lang wikken en wegen, de kinderen wel laten inenten tegen alle overige kleine beestjes, zoals de bof, mazelen, rode hond, pneumokokken, meningokokken, humaan pappilomavirus, difterie, kinkhoest, tetanus, hepatitis B en polio. Een hele geruststelling is dat.
Ik geloof niet dat er nog iemand is die dat daadwerkelijk krijgt, maar dat is natuurlijk ook precies het punt van die injecties.
Terwijl ik op de bank zit te tikken, ligt Aaf in haar bed met 39 graden koorts en Sammetje met zijn krullenkoppie op mijn schoot. Zijn kleine lijfje is gloeiend heet, zijn stemmetje heser dan normaal, met zijn beertje in zijn ene hand geklemd en zijn dino in de andere vecht hij tegen wat het dan ook is dat hij onder de leden heeft. En ik voel me nog kleiner dan zo'n verdomde bacterie.
Mijn hart verpulvert bij het horen van iedere moeizame ademhaling. Het liefst gooi ik alles opzij, werk, blog, boek, mezelf en kruip ik in hem. Neem ik alle pijn van hem over.
Ik aai en aai over zijn hoofdje, wrijf over zijn ruggetje zoals ik altijd over mijn dikke buik wreef toen hij daar nog in lag en geef hem oneindig veel kleine kusjes die hem zouden moeten helen. 's Nachts doe ik met liefde geen oog dicht om mijn kindjes als twee hittepitjes tegen me aan te voelen, zodat ik zeker weet dat ze in orde zijn. Dat ze nog ademhalen.
En ineens bedenk ik me dat het niet aan die shakes, mijn voeding of die vitaminepillen ligt, het is hun ziek-zijn dat mij op de been houdt.
 
 
 
 

Hete hond

4 januari, 2017
De VVD wil dat er een verbod komt op vleesnamen van vegetarische producten. Dus een vega-burger, vegetarisch gehakt en vegetarische boterhamworst mogen straks niet meer zo heten. Wat een vooruitstrevend idee! Wat fijn dat de partij zich hier hard voor maakt!
Helemaal omdat ik, als vervent pescotariër, altijd erg in de war raak bij het vega schap in de supermarkt. Het is allemaal niet van echt vlees te onderscheiden en ja, er staat dan wel overal vegetarisch voor, toch check ik bij de gekookte worst (de vega dan) nog altijd even de kleine lettertjes, want je weet het maar nooit met die vega vleesboeren, errug misleidend zijn ze. Dit in tegenstelling tot bepaalde vleesboeren die hun dieren antibiotica voeren, onder erbarmelijke omstandigheden in veel te kleine ruimtes houden en vleesfabrikanten die stukjes vlees mooi kleuren met kleurstof en opspuiten met water om het er smakelijker uit te laten zien.
Ja, ik kan me helemaal voorstellen dat die echte vleesboeren geen oneerlijke concurrentie willen van een hotdog die niet daadwerkelijk van een hete hond gemaakt is!
Dat er alcoholvrij bier verkocht wordt waar 0,5% alcohol in zit, dat er gedroogde kokos aangeboden wordt waar nagenoeg geen kokos in zit, maar overwegend suiker en rundergelatine, of dat er vruchtensap verhandeld wordt waar geen vrucht aan te pas komt, laten we voor het gemak even voor wat het is. Of nee, laat men daar een aparte politieke partij (de 82ste!) voor oprichten, de PvdKW; de Partij van de Keuringsdienst van Waren. Laat ze dan meteen even naar de houdbaarheidsdatum kijken van het gros dat er aan politici rondloopt, want die zijn zo ver-ambtenaard dat ze hun touch met het plebs en de realiteit compleet kwijt zijn. Wat ze wel goed weten is hoe bureaucratie de boel versimpeld en de belastingdienst alles makkelijker maakt. Maar dan ook wel als enigen.
Ik heb veel liever dat ze wat aan de veiligheid doen. Al die aanslagen zijn me niet in de kouwe kleren gaan zitten en ik ben meer voor voorkomen dan genezen, ook al weet ik dat een aanslag voorkomen nagenoeg onmogelijk is. Maar er helemaal niet scherp op zijn vind ik een ander uiterste. Het neigt hier tegen het naïeve. Een onbeheerde rugzak kan gewoon een uur in een overvolle Albert Heijn staan zonder dat een haan er naar kraait.
Er hangt spanning in de lucht, zowel bij links als het midden en rechts. Dat maakt me op z'n zachtst gezegd een bange poeperd.
Afgelopen maandag bij de Notenkraker in de stadsschouwburg voelde ik me ook even unheimisch omdat er geen potige kerels bij de entree stonden om eventueel gespuis buiten te houden, maar twee petieterige meiskes die zelf ballerina hadden kunnen zijn.
Bij het petsgeluid van de te hard ingezette bekkens van het orkest dat Tsjaikovski's Bloemenwals speelde, vloog ik elke keer een halve meter de lucht in. En ik was niet de enige.
Ja, de wereld is aan het veranderen, en het wordt tijd dat de regering zich meer gaat bekommeren om de zorgen van haar echte burgers, in plaats van die in het vleesschap!
 
 

Stil verdriet

29 december, 2016
Er was eens een klein meisje, zeven jaar, op een zolderkamer in een pittoresk dorpje onder de rook van Amsterdam. Boven haar bed hing een prikbord vol met plaatjes van Sonny Crockett, of Don Johnson, ook eentje van hem samen met zijn vrouw Melanie Griffith. Zij had ook blond haar en krullen, alleen droeg Melanie geen rode bril met witte stippen en dartelde zij niet dikwijls in bontgekleurde jurkjes rond op het schoolplein, maar dat even terzijde.
In haar kamertje had het meisje een witte taperecorder radio, die ze strategisch in het midden op de grond plaatste met de antenne zo veel mogelijk richting het raam om het beste bereik te vinden.
Ze stopte een leeg cassettebandje in het voorste vakje en duwde het dicht. Daarna draaide ze net zo lang aan het ribbelige knopje totdat ze de radiozender gevonden had die ze zocht.
Op haar knietjes, met haar handen onder haar kin en haar ellebogen op de grond leunend, luisterde ze naar de radio. Er werd aangekondigd in welke volgorde de liedjes na de reclame afgespeeld zouden worden. Haar kleine vingertje bungelde boven de REC knop en met het puntje van de tong uit haar mond wachtte ze tot het laatste propagandawoord gesproken was. Voordat de eerste noot klonk, drukte ze bliksemsnel op Record. Het cassettebandje begon te lopen.
Ze liet zich op de grond vallen, rolde zich op haar rug en met haar handen onder haar hoofd gevouwen en haar ogen dicht luisterde ze naar het lied, waarvan ze wist dat het straks op het cassettebandje gekopieerd zou staan.  
Zo ging dat twintig cassettebandjes vol door, want de plaatjes die haar vader en moeder beneden op de supersonische B&O stereo installatie draaiden, zowel lp als cd, kende ze inmiddels allemaal uit haar hoofd en waren veel te ouderwets.
Maar op een dag kwam haar vader thuis met een cd in de binnenzak van zijn colbert. Het eerste soloalbum van George Michael, getiteld Faith. Haar vader was verzot op het nummer Kissing a fool, iedereen moest het horen. Hij pakte de cd, duwde het hoesje in de handen van het meisje en zette het nummer op. De lage, zwoele en oorstrelende stem van George Michael schalde door de woonkamer.  
Door een waas van tranen staarde het meisje naar de cover, waarop George Michael in zijn zwarte leren jack aan zijn blote oksel leek te ruiken, waarbij alleen de zijkant van zijn gezicht, met keurig getrimde stoppelbaard en kruisjesoorbel te zien was. Het toppunt van stoer, dan en daar bepaald en voor altijd in haar geheugen gegrift. Don Johnson kon het veld ruimen. Zelfs met een krokodil als huisdier was je niet zo cool als George Michael. Helemaal niet toen de videoclip van Freedom op MTV uitkwam, een clip (druk op deze link) gevuld met alle topmodellen van toen, maar waar George the great zelf niet in te zien was.
Cindy Crawford die zichzelf betastte in een badkuip terwijl ze “Oh, yeah. Now I'm gonna get myself happy” playbackte, was de druppel. George Michael was gewoon niet van deze planeet. Hij kwam van planet Sex.
Hoe ze wist wat sexy was op haar zevende is een raadsel, maar ze wist het. En eigenlijk is het daarna ook nooit meer goed gekomen. Mannen met donkere stoppelbaardjes, borstelige wenkbrauwen, zwart leren jack en pilotenzonnebril hadden per definitie een katzwijm effect op haar, van knikkende knietjes tot natte dromen. 
Dat George later homo bleek te zijn kon haar niets schelen. Hij was unisexy.
En nu is hij niet meer.
Eerste kerstavond, na een geweldig familiefeest, checkte het inmiddels 35-jarige meisje zoals altijd nog even the grapevine. Op Facebook postten de laatste nog wakkere vrienden “RIP George Michael” en haar hart stopte met kloppen. De dood van Prince vond ze erg, maar dit raakte haar tot in haar kern. En ze was niet eens een fantiep.
Nooit heeft ze gillend van de Virgin Megastore in het Magna Plaza tot aan de Free Recordshop in de Kalverstraat achter Jeremy Jackson aangehold of kwijlend achter het hek gestaan bij een optreden van de Backstreet Boys. Nee, zij hield zich standvastig vast aan de titanen: George Michael en Lenny Kravitz. Wat haar betreft de meest sexy mannen op aarde, met ongeëvenaarde stylo en zangcapaciteiten.
The last of the Titans staat nog. En ze hoopt vurig, en ik met haar, dat Lenny de komende maanden binnen blijft, twee bodyguards voor zijn deur zet, alleen maar gezond eet, geen druppeltje alcohol drinkt, misschien een medicinaal jointje, maar verder in algehele onthouding en complete quarantaine verblijft, want mensen, als de laatste sexgod deze planeet verlaat dan blijft er nog wel bar weinig over om van te dromen.

Kerstgekte

21 december, 2016
Sinds ik besloten heb mijn carrière een tikkeltje te downsizen, ben ik compleet genezen van mijn koopgekte.
Mijn hele plan om al onze zuurverdiende centen te beleggen in Chanel tassen - waar ik de mister jarenlang voor in de week heb gelegd - heb ik laten varen. De kinderen lopen in kleding van marktplaats en een zekere Spaanse keten en zelf wandel ik rond in zomerkleding totdat het min tien is, aangevuld met een enkele neo-seizoens eyecatcher, waar ik mezelf eens in de drie maanden op trakteer. 
Ik bof dat ik op mijn zestiende de bui van deze crisis al heb zien hangen en stelselmatig schoenen ben gaan inslaan, waardoor ik een voorraad heb waarmee ik nog tot sint-juttemis degelijk voor de dag kan komen. Hetzelfde geldt eigenlijk voor tassen, jassen en zonnebrillen - je zal maar geen vervoermiddel hebben voor al je prullaria als de pleuris uitbreekt, en ik kon natuurlijk niet weten wat voor weer het in barre tijden zou worden. 
Mijn consumptielust is nu officieel verdampt en ik kan inmiddels met enige zekerheid stellen dat ik compleet buiten Rogers Innovation Curve val. Zonder schroom dartel ik ergens achter de Laggards, want liever spaar ik voor mijn droom: een lap grond met een boerderijtje, kippen, honden, katten, koeien, konijntjes misschien even niet, maar een paar varkens en schapen zeker. Dat lijkt me zo gezellig. En het liefst in een warm land ook, met eigen wijngaard en allemaal van die gezellige fruitboompjes. 
Er moet genoeg plek zijn om de hele misjpoge onder te brengen en iedereen die ik liefheb moet er kunnen blijven pitten. Er staat een piano in de woonkamer, lonken een paar bongo's in de hoek en hangt een gitaar aan de muur. 
Met kerst is er geen sprake van stress, iedereen komt met de armpjes en beentjes bloot in semi gala kledij genieten van wat het dan ook is dat we in december nog hebben kunnen oogsten - en de gevulde eieren van oma.
Na het eten sjacheren we met de boerenpot, dansen we salsa, bachata en merengue, blèren we mee op Kleine vogel en Ze moeten boven even wachten, janken we om Amsterdam huilt en gaan we los op alle hits van toen en dan. Als we daarna nog staan, gaan we het over grote dingen hebben. Over hoe speciaal dit soort dagen zijn, hoe fijn het is om bij elkaar te zijn en wat een heerlijk leven we eigenlijk hebben. 
Daar spaar ik voor. Daar kunnen geen twintig Chanel Classic 2.55 flapbags tegenop. 
Misschien duurt het nog een halve eeuw voor ik de centjes bij elkaar heb, maar dansen, lachen, knuffelen, lekker eten en drinken met al mijn loved ones, dát is gemakkelijk zonder financiële bijdrage te bewerkstelligen. En in het licht van magische familieherenigingen, aanslagen, vuurwerkrampen en ziekenhuisopnames, koester ik deze kerst eens te meer. 
En jullie, lieve lieverds, wens ik vele heerlijke momenten met jullie allerliefsten, zo vaak en zo lang als het maar kan!

Het Flappie debacle

16 december, 2016
Gedoopt door oma T., in drievoud geschonken door moi en compleet afgesabbeld, afgeragd, gemarteld en gekoesterd door Aaf, is Flappie. We kunnen de deur niet uit zonder. Flappie 1 zijn we kwijtgeraakt op Samos, waarschijnlijk ligt het arme konijn daar nu op de geplaveide kiezelsteentjes weg te rotten, Flappie 2 moet in bed blijven en nummer 3 is steevast stevig vastgeklemd in het kleine knuistje van mijn meisje.
Op school gaat Flappie in de mand, thuis ligt Flappie te kust en te keur overal en nergens en op visite wordt Flappie dicht tegen de borst aangedrukt en het labeltje in zijn nekkie krampachtig geplukt. Schattig, hè. Ja, nee. Ik heb namelijk onlangs een filmpje gezien over hoe konijntjes gillen als ze levend geplukt worden en sindsdien kan ik geen konijn meer zien zonder dat de tranen me in de ogen springen. (Nu jank ik al bij de intro van GTST, en ik grien ook al kerstenlang om Flappie van Youp van 't Hek – echt, bij dat "maar ik had het hok toch goed dichtgedaan?" wordt het me gewoon teveel.) Maar deze Flappie is gewoon een lief klein roze knuffeltje, totaal niet aanstootgevend en toch kan ik dat beest niet meer luchten. Het beest verstoppen of elders een tijdelijk onderkomen geven had ook geen zin, Aaf blèrde direct de hele boel bijelkaar. 
Hoe komt het toch dat kinderen allemaal zo verknocht zijn aan knuffelbeestjes? En wanneer stopt die liefde? Hij lijkt vergeten op het moment dat we massaal die verschrikkelijke filmpjes over dierenleed wegklikken en onszelf voorhouden dat we daar toch niets aan kunnen veranderen of dat het te moeilijk is om het dierlijke te laten staan, liggen, hangen of niet op te eten. Anders dan ik. Ik krijg geen harig beest door mijn strot. Ik voel me al schuldig als ik naar een plakje ham kijk. Maar goed, tegenwoordig voel ik me om bijna alles schuldig.
Laatst, bijvoorbeeld, bekeek ik een vlog van Sylvana Simons, maar toen ze ‘Dear white people’ zei, voelde ik me voor de derde keer in mijn leven in een hokje geslingerd. Niet het hokje vrouw, niet het hokje half-joods, maar het vakje white privileged. O, wat voelde ik me weer responsabel. Had ik me schuldig gemaakt aan racisme gewoon door blank te zijn? Liet mijn hele bestaan niet alleen een belastende ecologische voetafdruk achter, maar ook een ethische? Had ik me jarenlang schuldig gemaakt aan racisme, gewoon door blank te zijn? 
Ik, die het liefst alle mensen uit hun hokjes zou willen trekken om ze naar het mijne te brengen, waar ik dan een groot feest geef. Moest ik dan vanaf nu rekening houden met iemands uiterlijk? Op mijn woorden letten? Aanschouwde ik het leven door een witte bril met blanke glazen die op mijn neus vastgeroest zat? Dat zou verschrikkelijk zijn. Sindsdien ga ik dus ook gebukt onder het grote collectief schuldgevoel, dat als een donkere wolk over ons landje zweeft. 
Nou goed, ons Flappie, die kan er natuurlijk ook niets aan doen dat hij roze is, en een konijn en dat ik zo’n jankerd ben. En omdat ik zoveel mogelijk in oplossingen probeer te denken, had ik het briljante plan om voor Aaf een paardenknuffel te kopen voor kerst. Ik zag al zo voor me hoe ze het papier losscheurde, compleet verrukt het paard omhoog hield, Flappie aan de kant gooide en met het paard door de kamer danste, allemaal in slowmotion en met vrolijk muziekje.
Met dat vrolijke muziekje in mijn kop begaf ik me naar de speelgoedwinkel, waar de goede moed me direct in de schoenen zonk. Er stonden daar drie paarden: een zwarte, een lichtbruine en een witte. Welke moest ik kiezen? In mijn hoofd hoorde ik die zwoele vrouwenstem weer ‘dear white people’ zeggen en ik zweer het je, ik dacht echt dat er door dat cameraatje in de hoek van de winkel op mij ingezoomd werd en de hele linkse verongelijkte Denkknuffelaars me, en masse, graaiend in popcorn bakken en nippend aan colabekers, zaten te bestuderen. Ze sloten een weddenschap met elkaar af: gaat ze A. (o, zo standaard en zo typisch blank) voor Whitey, B. (zo gemiddeld, halfbakken en laf) voor Browny, of C. vrij van vooroordelen en o zo politiek correct voor Blacky?
Vijf minuten heb ik daar gestaan, besluiteloos. En toen werd ik pissig. Als ik een wit paard voor mijn dochter wilde kopen, dan kocht ik een wit paard voor mijn dochter! Ik griste het beest van de plank en stampte naar de kassa. 
Toen de kassière me vroeg welke inpakpapier in wilde, die rooie met die witte kerstmannetjes, of die zwarte met die gouden, koos ik toch maar voor die zwarte. 
Met het pakje onder mijn arm hoopte ik vurig dat Aaf haar roze konijntje af zou danken voor het witte paard. 
Een vreselijk, vreselijk mens ben ik.

Aangesmeerd

7 december, 2016
Ik ben nu ruim een maand vijfendertig en dat is te merken.
Natuurlijk ben ik me al langer bewust van het feit dat mijn borsten sinds mijn laatste zwangerschap zeker een centimeter lager hangen dan eerst en ik weet ook dat mijn buttocks niet meer zo rock-hard is als vroegah en dat de striae op mijn bescheiden buikje nooit meer zal verdwijnen. Dat alles heb ik redelijk verwerkt inmiddels, maar toen ik onlangs werd gewezen op de aftakeling van mijn gezicht, sloeg ik toch wel even steil achterover.  
Afgelopen zondag besloot ik mezelf te trakteren op een dagje spa. 
O, hoe onbezorgd ik grinnikte toen ik in mijn nakie de sauna uitstapte en een redelijk aantrekkelijke kerel bijna onderuit zag glijden terwijl hij mij uitgebreid aan het bekijken was. Toen was alles nog flex en ik nog Toos rimpel- en zorgeloos.
Maar het gebeurde toen ik compleet gelukzalig en rozig de kleedkamer uitwaggelde. Mijn wangen trokken van de droogte, dus liep ik naar de draaitoren met smeerseltjes en koos dat ene potje waar hydra boost op stond, net wat ik nodig had. Nog voordat ik het goedje op mijn wang had gekwakt, stond er al een schoonheidsspecialiste naast me.
            ‘Kan ik u ergens mee helpen?’ vroeg ze liefelijk.
Licht gepikeerd dat iemand die net zo oud was als ik 'u' tegen me zei, zette ik dat potje weer terug.
            ‘Ik had droge wangen, dus heb even een beetje van jouw potje gesmeerd.’
            ‘Ja, ik zie dat u een erg droge huid hebt. Daar heb ik wat voor. Mag ik?’
Zonder aarzelen griste ze een tubetje van de molen, pakte mijn hand en smeerde er een miniklodder over uit.
‘Voel eens hoe zacht.’
           ‘Hmm hmm. Ja, heel zacht,’ mompelde ik, maar ik hoefde dat spul toch niet, wat ze ook zou zeggen.
            ‘Ik smeer dit over de hydra boost die u net gebruikt heeft en complementeer het met een filler, voor onder uw make up.’
Euh…  ‘Oké?’
            ‘Waar maakt u altijd uw gezicht mee schoon?’
            ‘Water, een watje en een beetje Miracle water.’ Nog geen tientje bij elkaar…
            ‘Ja, dat zou ik u toch echt afraden. Hier heb ik een uitstekende Cleanser, die kalmeert en reinigt. U hoeft er maar heel weinig van te gebruiken, dus u doet minstens een half jaar met zo’n flacon.’
Ze deed weer een graai uit de draaimolen.
            ‘Hoe beschermt u uw gezicht?’
Hoe ik mijn gezicht bescherm? Gewoon, door mijn armen omhoog te houden, zoals ik geleerd heb op die kickbox cursus die ik een blauwe maandag gevolgd heb. Maar iets zei me dat ik beter mijn mond kon houden.
‘Ik zie hier en hier,’ ze streek met haar vinger lichtjes over mijn voorhoofd en linkerwang, ‘al een aantal 
lichte pigmentvlekjes. En hier heeft u twee rimpeltjes,’ zei ze wijzend naar een plek tussen mijn wenkbrauwen.
Wat de?! Waar kwamen die ineens vandaan? Ik fronste en zag meteen de oorzaak.
            ‘Ik zou toch echt adviseren om over uw dagcrème een crème met minstens factor 50 te gebruiken, zoals deze…’
Ik pakte het potje van haar over en bekeek de pietepeuterige lettertjes.
            ‘Factor 50? Elke dag?’           
            ‘Ja, dat is goed tegen rimpels en het beschermt uw huid tegen de negatieve invloed van de zon.’ Ze pakte het potje weer uit mijn handen en smeerde het spul op mijn gezicht.
Het rook niet naar zonnebrand. Het voelde niet als zonnebrand en er bleef geen witte waas achter op mijn huid, zo liet ze me trots zien in de spiegel.
            ‘Voor de blauwe kringen onder uw ogen heb ik een speciale oogcrème met concealer in één.’
Blauwe kringen? Als een malle trok ik dat spiegeltje naar me toe.
Ze pakte een klein tubetje en depte een beige goedje onder mijn ogen.
Ik keek weer in de spiegel en voelde aan mijn gezicht. Was het dan echt zo erg met me gesteld?
            ‘Wat kost het hele pakket?’ vroeg ik.
We liepen naar de kassa waar ze een formulier invulde met wat ik, Miep aftakeltiep, allemaal nodig had. Voor de grap vroeg ik of ze niet ook een crèmepje had om de tietjes te liften. Maar, nee, die had ze niet.
            ‘Met de 10% korting zou dat komen op €352,50.’
Holyfuckamoly! Ik slikte. En nog eens en deed net alsof ik niet onder de indruk was.
            ‘Ja. Ik heb dus eigenlijk alleen die zonnebrandcrème en dat wallenzalfje nodig, op hoeveel kom ik dan?’
            ‘€134,50, maar ik zou toch…’
            ‘Is goed, doe die twee maar.’
En zo liep ik de Wellness uit. Een liter vocht en €134,50 armer.
Toen ik thuis kwam kon ik me wel voor mijn kop slaan dat ik me die troep had laten aansmeren.
Wat zeur ik nou? Ik ben vijfendertig! En trouwens, wat gaat het me in hemelsnaam kosten als ik dit soort paardenmiddelen moet gaan smeren tot mijn tachtigste? Het duizelt me nu al.
Uiteindelijk werken die peperdure middeltjes bij mij dus alleen maar averechts: frons ik namelijk niet omdat ik me zorgen maak over het ouder worden, dan is het wel vanwege de pijn van die gigantische rib uit mijn lijf. En van al dat gefrons krijg ik rimpels.
 

VERPREUTST

1 december, 2016
Nafluiten op straat gaat binnenkort verboden worden. Ja, echt. 
Vierduizend euri’s boete krijg je als je ‘hé, pssst’ roept naar een lekker, of gewoon, een wijf.
Soms maak ik me een beetje zorgen om de verpreutsing van onze samenleving en ben ik bang dat deze zelfs vat op míj begint te krijgen. Ik merk namelijk dat ik alles aan het nuanceren ben, helemaal nu ik kinderen heb die me het liefst en plein public de meest gênante vragen stellen, over mij, maar meestal over anderen. Iedereen is wat hen betreft een beetje gek, want: anders dan wij.
Nu was ik met Aaf in een kledingwinkel en de ietwat corpulente verkoopster herkende ons nog van de vorige keer – kunst, want Aaf had toen de hele winkel bij elkaar geschreeuwd omdat ze per se dat prinsessendekbedovertrek moest hebben.
           ‘O, dit is toch zo’n drol van een meisje. Echt zo’n schatje! Ben je blij met je prinsessendekbedovertrek, lieverd?’ vroeg de verkoopster met kunstmatig hoge piepstem. Ze deed nogal theatraal omdat er nog meer klanten bij stonden, maar ik kon het wel waarderen. Iedereen die mijn dochter een schatje noemt apprecieer ik ten zeerste.
‘Jij bent dik,’ was alles wat mijn kleine meid terugtetterde, ze konden het in de winkel aan de overkant
waarschijnlijk ook nog horen.
We zagen allemaal hoe al het bloed de vrouw naar de wangen steeg, ze zwalkte een beetje en murmelde iets onsamenhangends. Het hielp ook niet echt dat ze eruitzag als juffrouw Bulstronk uit Roald Dahls Matilda
Het zweet brak me uit.
Snel hing ik het truitje dat ik aan het bekijken was terug in het rek, want als ik niet gauw maakte dat ik daar wegkwam, zou ik uit schuldgevoel nog iets moeten kopen ook.
‘Waarom ben jij zo dik?’
Te laat.
           ‘Aaf!’ blèrde ik. Maar Aaf was niet van dit vraagstuk los te weken, ze bleef met haar handjes in haar zij tegenover de verkoopster staan, met puppyogen die smeekten om opheldering.
 ‘Nou, dat wordt een dure aankoop,’ mompelde ik. De vrouw naast me proestte het uit.
Tot mijn opluchting verscheen er een glimlach om de mond van de verkoopster. Ze boog zich voorover en legde een hand op Aafs schouder.
            ‘Je hebt gelijk, ik ben een beetje te dik. Dat komt omdat ik van heel veel lekker eten houd en het lukt me maar niet om dat te laten staan. Maar ik doe mijn best.’
Ik wierp de vrouw mijn allerliefste, meest verontschuldigende glimlach toe (ik heb geen idee hoe die eruitziet, maar stel je de lach van een boer met kiespijn voor die net een trap tussen zijn benen heeft gekregen), en loodste Aaf ondertussen mee naar de uitgang.
            ‘Da’s niet zo lief om te zeggen, hè. Je zag dat die mevrouw dat niet zo leuk vond,’ fluisterde ik toen we naar buiten liepen. Ik geloof niet dat het hele gebeuren echt indruk op haar gemaakt heeft, want nog geen dag later zei ze tegen de buurman dat er een nogal gekke kale plek op zijn achterhoofd zat, en dat hij daardoor wel leek op een ouwe opa. Daar kan ik de babyfoon dus ook nooit meer neerzetten.
Het is niet eens dat de buurman of de verkoopster er last van heeft, die onschuldige oprechtheid van een kind, ik schrik meer van mijn eigen plaatsvervangende teergevoeligheid. Dingen zijn gewoon zoals ze zijn. Dat een kind hardop zegt wat menig volwassene niet durft uit te spreken, is niet het probleem van het kind, maar de tekortkoming van de volwassene. Waarom kunnen we vandaag de dag de dingen niet meer aanhoren of uitspreken?
Goed, nu mag ik dus straks niet meer nagefloten worden. Niet meer nagefloten! Dat was altijd het lichtpuntje van mijn dag. Vuilnismannen, bouwvakkers, brandweerlui, wegwerkers, al die noeste arbeiders die als verzetje in hun pauze een dame nafluiten met hun lunchtrommeltje op schoot, dat is toch vertederend? Dat moeten we toch koesteren? Ik bedoel, wie gaat me anders ooit nog vertellen dat ik een lekkere kont heb?
 

 

Herfstdip

23 november, 2016
Al vijf dagen heb ik het koud. Tot op het bot. Ik ben namelijk chronisch doodmoe.
Gisteravond besloot ik daar iets aan te doen. Nee, ik ging niet vroeg naar bed, ik ben kampioen vroeg naar bed wíllen – elke avond als ik mijn kussen raak denk ik ‘morgenavond ga ik echt’ – maar doe het nooit.
Er is zoveel te doen, zijn zoveel interessante mensen en er is plenty te zien op Netflix, Youtube en Facebook.
Maar goed, ik was dus verkleumd en had het geweldige plan om, meteen als ik thuis kwam van kantoor, de Hello fresh maaltijd te verorberen en dan met een bel rode wijn de mister mee te lokken in een heerlijk geurend bad. Heet en met stoom.
Maar de mister had andere plannen. Hij is geen badmens. Zijn definitie van romantiek is gezellig samen met een pilsje op de bank voetbal kijken, want waar het ook vandaan komt, er is altijd voetbal op de buis. Als ik zap zie ik het nooit, maar als híj die afstandsbediening in zijn handen heeft, zijn er minstens tien kanalen die het balspel uitzenden, of anders wel het geleuter erover.
Ik weet heus wel dat Onze Lieve Heer eerst de bal, toen de man en daarna pas de vrouw heeft geschapen, maar het wil maar niet wennen, die derde rang.
Dus nam ik (voor het eerst in mijn baddercarrière) mijn telefoon mee.
Wel zo gezellig, leek me, met vierhonderd en nogwat vriendjes en dinnetjes in een bescheiden bassin dobberen. Maar ik bleef hangen in de blues van T-Bone Walker. En toen in Billie Holiday, Etta James en daarna Moby. Dit ging fout.
Als de wiedeweerga swipete ik door Spotify om dat ene album van Whitney Houston te vinden dat ik altijd draaide toen ik nog alleen woonde en als single lady in mijn pas gerenoveerde badkamer compleet relaxed en gelukzalig in de tobbe lag. Het hielp.
Geen Estas Tonne, geen ‘ohm’ gechant, tjirpje of zwoel Braziliaans stemgeluid kan op tegen de algehele spierverslapper You give good love van Whitney Houston.
Binnensmonds en met kopstem humde ik de noten mee. Heerlijk.
Rozig, teut en oververhit stapte ik anderhalf uur later wankelend de douche in.
Voordat ik helemaal klaar was (mijn haar moet gortdroog geföhnd worden wil het niet de volgende ochtend zitten alsof er een tornado over mijn hoofd is geraasd) was het middernacht. Dan nog minstens een kwartier tanden poetsen en nog wat tutten om uiteindelijk toch weer veel en veel te laat mijn ijskoude bed in te stappen.
Maar, en nu komt het, toen ik opstond vanochtend voelde ik me als herboren. Fris, vrolijk en boordevol goede moed danste ik de trap af.
Je denkt: wat is nou de clou van dit verhaal? Die is er niet. Dit is het. Ik zou nog wel een beetje showergel o.i.d. kunnen aanprijzen, maar dat gebruik ik allemaal niet. Troep met microplastics enzo, daar doe ik niet aan. Ik was mijn haar met puur natuur shampoo van de vitaminewinkel, verwijder mijn make up met eco watjes van de Appie en een druppel van dat miracle water, wat wonderbaarlijk genoeg mijn mascara nooit geheel doet verdwijnen, en poets de tandjes altoos met Parodontax zonder fluoride, want ik heb ergens gelezen dat dat kankerverwekkend is.
Goed, het is inmiddels zo erg met mijn vrolijkheid gesteld, dat ik achter mijn schootcomputer zit te headbangen op Joe Bonamassa’s Blues Delux. Dat wil wat zeggen!
Dus tip van de dag: chop chop hurry up in bad met de blote billetjes en laat de herfstdip je niet in de kouwe kleren gaan zitten!
Fijne woensdag, lieverds.

Ochtendtafereel

21 november, 2016

Als ik twintig cent zou krijgen voor iedere ‘Nééeeeee, mama, ik wil jou niet,’ dan… Nou ja, ik zal niet overdrijven, dan zou ik nu zo’n vijftig euro hebben en daar koop ik tegenwoordig een halve week boodschappen voor.

Sinds die verrekte wintertijd is het iedere ochtend hetzelfde ritueel: opstaan, tien keer ‘Nee, mama, niet jij!’ aanhoren, aankleden (denk aan over de grond rollende kinderen die een waslap in hun gezicht gesmeten krijgen) en dan het standaard niet aan willen trekken whatever het ook is dat ik uit de kast heb gepakt.
Niemand, zelfs mijn moeder niet, had me op dit geweldige feest kunnen voorbereiden.
Misschien kom ik een beetje sarcastisch over, dat klopt. Ik had mijn rechterhand in het verband en manlief was de hele week overzees. Ik ben rete chagrijnig.
Ooit was ik een ochtendmens. Zodra de luiken omhoog waren, was ik al frips en fruitig in de hieperdepiep-modus sinaasappeltjes aan het persen terwijl ik m'n salsapasjes oefende. Het enige wat een beetje achterbleef was mijn stemgeluid, maar gelukkig heb ik daar nooit mijn carrière van gemaakt. Ik moest het hebben van mijn wits. 
Tegenwoordig worden de luiken open geforceerd met een koevoet en marcheer ik de trap op, op het ritme van mijn 'wat er ook gebeurt, ik blijf kalm' mantra. Misschien stiekem met nog wel een beetje goede moed, ik zou geen dromer zijn als ik niet zou hopen dat dat engelengezichtje straalt van geluk als ik aan haar bed verschijn en vervolgens alles doet wat ik vraag. Maar, ik kan je zeggen, dat gebeurt dus nooit. Al sta ik daar met een fanfare, word ik nog de kamer uit gebonjourd.
Dat is het nou met kinderen waar niemand je op kan voorbereiden: je hebt geen controle. Dingen gaan niet zoals jij het wilt. Voor een gepensioneerd perfectionist als ik wringt dat nog altijd. 
Sta je helemaal opgedoft klaar om de deur uit te gaan, kotst de kleinste je outfit onder. Weg avond.
Heb je de hele nacht je to-dolijst doorgenomen voor het werk de volgende dag, wordt de oudste wakker met een ondefinieerbare pijn in haar buik en vinger. Je denkt Aah, kom op, maar het is algehele malaise de nee-nee. Bel je baas maar af.
Klap je in je handen van trots dat je met nog precies 5 minuten op de klok iedereen in zijn winterjas gewurmd, wanten aan, schoenen dichtgeveterd en mutsen op, klaar hebt staan om op tijd op school te komen, wordt er triomfantelijk ‘O, o… poepie!’ gescandeerd. Je weet dat je het bokje bent.
Het zero-controle pakket dient zich aan op de dag van de bevalling. De illusie dat wij iets te zeggen hebben over hoeveel pijn we voelen, waar, wanneer en hoe de baby precies komt, is exact dat, een begoocheling. Net als hoeveel een baby huilt, de darmkrampjes, het slaapritme en zijn eetpatroon. Allemaal aan de gratie van het kind overgeleverd. En dat, lieve mensen, is only the beginning.
Een wijs iemand zei ooit tegen me: ‘Kleine kinderen kleine zorgen, grote kinderen grote zorgen.’
Dit betekent dat ik nu nog maar een fractie voel van de chagrijnigheid die me waarschijnlijk nog te wachten staat. Dat troost me enigszins. Daarbij, je kan veel van kinderen zeggen, maar consequent zijn ze wel. En ik sta toch minstens drie jokers in de plus, aangezien de mister een week weg was, en nog een extra omdat ik zo zielig was met mijn zere hand. Dus leun ik nu nog even lekker achterover, trek mijn eerste fles wijn open, geniet van eclectische muziek tot laat in de avond en luister morgenochtend naar het heerlijke geluid van 'Nee, papa, niet jij!' terwijl ik me nog even omdraai.