De broek aan

31 maart, 2017
‘Als ik later kinderen heb dan doe ik het anders. Alles!’ hoor ik mezelf nog tegen mijn moeder roepen.
Ik dacht er aan toen ik met mijn handen op mijn heupen over Aaf heen gebogen stond die voor de zoveelste keer weigerde de kleren aan te trekken die ik voor haar had klaargelegd. En ik had niets anders, want de rest zat in de was.
‘Doe. Die. Spijkerbroek. Aan. NU!’
En daar was het. Ik had mijn mond opengedaan en mijn moeder was eruit gekomen. Flashback naar een kleine Jordana, over de grond rollend omdat ze de felgekleurde Oilily jurkjes niet aan wilde waar ze haar hele kinderkamer mee hadden kunnen behangen. Elke ochtend strijd, elke ochtend schreeuwen, dat was ook mijn vooruitzicht. Ergens was ik mijn moeder geworden en Aaf de vleesgeworden jarentachtig-Jordana in Frozen onderbroek, realiseerde ik me. Ik probeerde te achterhalen wanneer en waar deze transformaties precies hadden plaatsgevonden.
‘Nee. Ik wíl geen spijkerbroek. Ik wil een jurk. Dus.’
Dat was nieuw, dat ‘dus’. Niet alleen moest daarmee de kous af zijn, het impliceerde ook dat ik de grootste stomkop was die er op deze aardkloot rondliep.
‘Aaf, we komen te laat, trek die broek aan,’ zuchtte ik. Het was waanzin om steeds opnieuw hetzelfde te doen en dan verschillende uitkomsten te verwachten – dat wist ik van de Einstein quote op mijn Pinterest wandje – dus zakte ik door mijn knieën en legde mijn handen op haar wangen.
‘Wat is er nou precies aan de hand?’
Ze frummelde met haar vingers.
‘Ik wil niet een spijkerbroek aan, spijkerbroeken zijn stom, die zijn voor jommens.’
‘Is dat het? Je wilt geen spijkerbroek aan omdat dat voor jongens is?’
Ze perste haar lippen samen en sloeg haar armen over elkaar.
‘Dus broeken zijn voor jongens en jurken voor meisjes?’
Ze knikte. Ik stond op.
‘Wat een onzin. Wie zegt dat jurken alleen voor meisjes zijn? Dan vindt je zeker ook dat blauw alleen voor jongens is en roze voor meisjes.’
‘Nou, ik vind blauw wel mooi, hoor. Maar roze is voor meisjes.’
‘Wie zegt dat?’
Ze haalde haar blote schouders op.
‘Zie je, je weet het niet. Het staat nergens dat jongetjes geen jurk mogen dragen en dat ze niet van roze mogen houden. Je moet dragen en mooi vinden waar je je lekker bij voelt, Aaf.’
‘Als ik een spijkerbroek aan doe dan gaan ze lachen,’ piepte ze.
‘Wie?’
Ze trok weer haar schouders naar haar oren.
‘Dan laat je ze toch lekker lachen. Het is toch ook wel leuk als mensen om je kunnen lachen? Beter dan dat ze je in een jurk zien en keihard beginnen te janken.’ Ik trok een pruillip en deed net of ik in tranen uitbarstte.
Haar mondhoeken begonnen te trillen.
‘Daar zit niemand op te wachten, al dat gehuil. En trouwens, jij ben zo’n diva, dat jij gewoon een spijkerbroek kan dragen. Straks willen alle meisjes dat ook. Dat zou wel een probleem zijn, Aaf.’ Al ijsberend door de badkamer griste ik haar spijkerbroek van de verwarming.  ‘Wat moeten de jongens dan aan?’ Ik zette mijn meest bezorgde gezicht op. Het moet er uit hebben gezien alsof ik net mijn tanden in een citroen had gezet, want er brak een stralende glimlach door op haar gezicht.
‘Dan moeten die weer allemaal janken, Aaf. Al die jongetjes.’
Er klonk een giechel.
‘Maar weet je wat dan wel heel leuk is?’
Ze schudde haar hoofd. Ik ging achter haar staan, trok haar met haar rug tegen me aan, bukte, hield haar de spijkerbroek voor en tikte op haar been. Ze trok hem op en stapte gedwee in de broekspijp die ik voor haar openhield.
‘Alle jongens gaan dan in een jurk naar school.’
‘Nee, dat kan toch niet!’ schaterde ze.
‘Jawel, dat kan. Dat is één groot feest. En dan gaan ze dansen.’
‘Dansen?’
‘Ja, als jongens die jongens zijn in een jurk.’
‘En de meisjes dan?’
‘Die dansen als meisjes die meisjes zijn in een spijkerbroek.’
Ik knoopte haar broek dicht, draaide haar om, trok het truitje over haar hoofd en kuste haar op haar bol.
‘De wereld is zoals wij hem maken, Aaf. En nu naar beneden jij, spijkerbroekprinses. Pap eten.'
 

Henkie

24 maart, 2017
Waar zojuist nog kreetjes van vreugde, geklets, trippelende voetstapjes en rammelende wielen van de poppenwagen hadden geklonken, was het nu ineens stil. Verdacht stil.
Ik keek door het kiertje dat de woonkamerdeur openliet.
Daar stonden ze, Sam en Aaf, beiden met hun handjes in de zij, starend naar iets op de grond voor hun voeten.
‘Wat zijn jullie aan het doen, boefjes?’ vroeg ik terwijl ik naar binnen stapte.
‘Moet je kijken, mama,’ zei Aaf, wijzend naar iets.
Ik bleef staan. Was dat een zwart pootje? Zag ik daar iets bewegen?
Opeens sprong Aaf opzij, Sam slaakte een kreet.
O. Mijn. God. Een spin!
‘Hij gaat weg, mama! Hij rent weg!’ gilde Aaf.
‘Je moet hem pakken, Aaf!’ schreeuwde Sam, zijn hese stemmetje sloeg een octaaf over.
Met zijn acht behaarde poten schuifelde het beest richting het dressoir, om zich daar vlak voor weer bewegingsloos te houden.
Ik moest iets doen, maar ik kon alleen maar naar het insect staren, terwijl mijn hart wild alle lucht uit mijn longen bonkte.
Aaf deed een stap in de richting van het monster. ‘Niet doen!’ schreeuwde ik.
Twee verschrikte blikken schoten mijn kant op. Ik sloot even mijn ogen en opende ze vastberaden. 
‘Laat de spin maar even met rust, jongens.’
Vanaf de plek waar ik vastgeroest stond had mijn stem verdacht kalm geklonken.
‘Wat ga je dan doen, mama?’ vroeg Sammetje. 
‘Mama gaat hem pakken, toch?’ Aaf keek me verwachtingsvol aan.
Ik zocht om me heen naar een uitvlucht, een briljant plan of een beetje moed. Maar wat kon ik doen? De buurman halen? Het zou niet de eerste keer zijn dat ik in blinde paniek een spin achterliet om met een beloofde held terug te keren naar de plek des onheils en vervolgens ineen te krimpen onder zijn blik van medelijden en zijn scepsis over mijn geestelijke gesteldheid als er nergens meer een spin te bekennen was.
Het laatste waar ik zin in had was om de komende uren in een aflevering van Opsporing Verzocht vast te zitten.
‘Mama! Hij beweegt weer!’
De spin draaide een kwartslag, leek met zes ogen de afstand naar de eeuwige vrijheid in te schatten, terwijl hij me met de andere twee een vuile blik toewierp.
Normaal zou ik wegrennen, maar ik kon mijn kinderen niet in een huis laten met een monsterspin. Het was hij of wij.
Resoluut stapte ik naar de keuken, pakte het grootste glas dat ik kon vinden, vond een flyer van een sushi restaurant en liep terug. Ik kon dit. Ik had twee kinderen gebaard, een acute blindedarmontsteking overleefd en samen met een tarantula gedoucht op mijn solotrip in Mexico. Drie keer had ik als tiener op de Megafestatie een vogelspin over mijn arm laten lopen om van mijn fobie af te komen. Ik kon dit.
Het beest leek me te peilen, nog even en hij zou de gok wagen. Het was nu of nooit.
Ik dook naar voren, zette het glas over de spin, schoof de flyer eronder en tilde hem op.
‘Heb ik hem? Heb ik hem?’ Ik durfde niet te kijken.
‘Ben je bang, mama?’
‘Nee, hoor,’ hijgde ik. ‘Aaf, kan jij de tuindeur voor mama opendoen, dan laat ik Henkie even naar buiten.’ Ik hoopte dat ik niet te smekend klonk.
‘Heet ie Henkie? Aaah…’
Met twee stuiterende wuppies in mijn kielzog liep ik richting de tuin. Voor de deur bleef Aaf staan.
‘Mag ik hem zien, mama?’ vroeg ze. ‘Ja! Ik ook! Ik ook!’ Sam sprong op en neer.
Ik ging iets door mijn knieën en hield Henkie in zijn glazen kooitje zo dat de kinderen hem goed konden zien.
‘Hij is wel groot, hè mama?’ 
‘Mm, mm.’
‘Ga maar lekker naar buiten, Henkie,’ zei Sam met een piepstemmetje. ‘Mag ik hem aaien?’ voegde hij er aan toe. 
‘Nee, je mag hem niet aaien. Henkie gaat nu naar huis.’
Op blote voeten liep ik naar buiten. Aaf kwam naast me staan. Ik zoog een diepe teug lucht naar binnen.
‘Oké, Henkie. Ik ga je vrijlaten. Ik had je op kunnen zuigen met de stofzuiger, kunnen laten verorberen door de kat of gewoon een mep kunnen geven met een slipper, maar dat heb ik allemaal niet gedaan. Dus nu ga je gewoon lekker daar in die hortensia, zonder geplak en gehang en zonder je hele familie op me af te sturen. Oké?’
Henkie verroerde zich niet. Dat vatte ik op als een bevestiging.
En toen deed ik het. Ik schoof het glas over de flyer en Henkie vloog zo de hortensia in.
Razendsnel greep ik de kinderen en rende naar binnen, waar ik de deur achter me op slot draaide.
Zo. Met deze mama valt niet te spotten, dacht ik nog.

Trip

17 maart, 2017
Vrijdag 06.10 uur stapte ik op Haarlem CS in de bus naar Schiphol Airport. Met mijn tot de nok toe volgepropte trolleykoffertje als handbagage, nam ik plaats bij het raam. Omdat ik aan het chatten was met een vroege vogel, had ik totaal niet op mijn omgeving gelet. Ik schrok op ergens in Hoofddorp, waar ik nooit kom, en zag hangars, vliegtuigen en bedrijven, maar geen Schiphol Plaza. Er heilig van overtuigd dat ik mijn halte gemist had en nu voorgoed vastzat in een stad met als enige trekpleister de Primark, vloog ik overeind. De meneer naast me schrok zich een ongeluk.
Half gegeneerd liet ik me weer in de stoel zakken. De bus reed, ik kon nergens heen.
'Zijn we al voorbij Schiphol?' De eerste woorden van die dag kwamen nogal krakend over mijn lippen.
De man verdiepte de lachrimpels in zijn lichtbebaarde wangen en keek me vriendelijk aan.
'Nee, we zijn nog niet eens voorbij de tunnel.'
'O.' Ik had geen flauw idee welke tunnel hij bedoelde en ik bloos al om minder, dus mijn wangen schroeiden.
'Na de tunnel is het de tweede halte. Schiphol Plaza.'
Ik glimlachte terug en knikte zodat hij zou weten dat ik hem heus wel begreep, ondanks mijn blonde blunder.
Ik negeerde de pling van het berichtje op de mobiel in mijn hand, om dit weekendje weg niet kotsmisselijk van wagenziekte te beginnen, en staarde uit het raam. Mijn uitzicht werd onderbroken door een betonnen muur. 'Dit is niet de tunnel die ik bedoel, hoor,' grijnsde de man.
Nee, dat wist ik heus wel, dit was een viaduct, een uitvinding van de Romeinen.
'Dit is een viaduct,' voegde Albert E. er aan toe.
Mijn blik schoot naar de man, die het bijna uitproestte. En omdat ik nogal een zwak heb voor lachende mensen, grinnikte ik mee.
'Weekendje weg?' vroeg hij, wijzend naar mijn koffertje.
'Ja, Barcelona.' Ik perste snel mijn lippen op elkaar om de spraakwaterval die ik voelde opborrelen tegen te gaan. Als zo’n opwindbaar plastic kunstgebitje tot het laatste tandje toe opgewonden kon ik wel door de bus klapperen van enthousiasme voor mijn girl trip. Maar niemand zat er op te wachten om aan te moeten horen hoe heerlijk ik het wel niet vond om naast werkende moeder ook nog af en toe het meisje te zijn wat ik vroeger was; iemand die uren naar verhalen kon luisteren en verhalen kon vertellen zonder elke vijf minuten onderbroken te worden. Iemand die door de stad fietste zonder deadline en zonder altijd het gevoel te hebben iets te zijn vergeten. Iemand die in een ander land kwam en steevast de mogelijkheid overwoog om daar voorgoed te blijven. Iemand die binnen twee dagen een boek uitlas, de hele dag naar muziek luisterde en zonder na te denken een fles wijn achterover sloeg, de pijn in haar voeten weg danste tot in de late uurtjes, een jamsessie vol zong en in het eerste zonlicht, met tjirpende vogeltjes als enige geluid in een verlaten stad, naar het station zwalkte. Iemand die gewoon even niets moest. Geen was, geen huishouden, geen werk, geen kinderen en geen man. Gewoon alleen ik.
Nee, op dat geleuter zat niemand te wachten.
'Lekker, hoor,' mompelde de man.
Pling. Snel opende ik messenger en schreef een berichtje terug.
De bus minderde vaart, de man greep de paal voor zijn neus vast en trok zichzelf omhoog. Over zijn schouder zei hij 'Je weet het, hè, na de tunnel, tweede halte,' terwijl hij zijn OV chipkaart tegen de kaartlezer drukte om uit te checken.
Ik glimlachte en salueerde.
'Veel plezier in Barcelona,' lachte hij.
Pling. ‘Have fun gal’ verscheen er op mijn scherm.
Twee plezierwensen tegelijkertijd, dat beloofde veel goeds.
 

Lars

8 maart, 2017
bron:
Men zegt dat skiën net zo is als fietsen – je verleert het nooit. Toch vond ik het vorig jaar knap lastig om als een kamikaze naar het dal te moeten leunen op ski’s die voor mijn gevoel twee maten te kort waren in vergelijking met mijn lichaamslange latjes van vroeger. En daarom besloot ik dit jaar eerst twee uur privéles te nemen.
Nadat ik Aaf bij haar klasje af had gezet en op het terras in het sterke ochtendzonnetje een slappe latte macchiato achterover had geslagen, stapte ik vol goede moed naar de houten blokhut waar de vlag van Prozell Skischule op prijkte.
Bij een kale Oostenrijker, van ik schat een jaar of zestig, met harde stem en de contouren van een zonnebril om zijn ogen, meldde ik dat ik gearriveerd was voor mijn privéles. Met zijn blik volgde hij mijn lichaam.
"Niederlands?"
Ik knikte. Was dat te zien?
"Komm mit mir," zei hij. Hij greep nog net mijn hand niet.
Gedwee liep ik achter hem aan naar een meute skileraren, te herkennen aan hun smurfenblauwe ski-jacks met Prozell Skischule logo.
"Privat hier!" schreeuwde grote kale smurf met de wit getatoeëerde zonnebril, die blijkbaar de leider was van het hele spul.
Alle koppies draaiden in mijn richting. Vertwijfeld hief ik een hand op en glimlachte terug naar alle zwaar zongebruinde gezichten verborgen achter zonnebrillen waarin ik mezelf in alle kleuren van de regenboog terug zag.
"Gut! Lars ist dein Lehrer," sprak de leider alvorens hij zich omdraaide.
Ik zag mezelf groter worden in de brilglazen van een oh oh cherso gebruinde David Hasselhoff met grof gebreide zwarte muts.
"Hi! Welkom! Ich bin Lars, und du heißt..?"
"Jordana." Ik schudde zijn uitgestoken hand.
"Hallo, Jordana. Deutsch, Holländisch?"
"Holländisch," zei ik, terwijl ik tevergeefs poogde mijn hand terug te krijgen. Hij legde zijn andere er nog eens bovenop.
"Super! Ich spreek ein beetje Nederlands!"
"Oh, fijn." Ik rukte mijn hand los.
"Is dit jouw erste maal?"
In het Duits legde ik hem uit dat ik vorig jaar voor het eerst in zestien jaar weer geskied had en het me niet zo goed af was gegaan. Met een paar grapjes illustreerde ik mijn klungeligheid. Het kwam er op neer dat ik geen beginner was, maar ook nog lang niet gevorderd. ‘Und ich habe Angst,’ voegde ik daar nog aan toe.
Hij zei een tijd niets, maar had niet breder naar me kunnen glimlachen. Ik slikte. Zag ik er zo gek uit? Mijn haar zat verstopt onder een witte helm, mijn ogen achter een pilotenzonnebril en mijn lichaam onder drie lagen kleding, waaronder een gewatteerde. Wat had het voor zin om naar een Michelinmannetje te staren?
Hij nam me mee naar de oefenweide, waar ik voor moest skiën. Een keer zonder en keer met stokken.
Onder luid en zwaar overdreven “Ah, sehr gut, Jordana!” gingen we door naar de blauwe piste.
Tussen kinderen met gele hesjes die in flug als pulletjes achter een hoogblonde mama-eend in blauw skipak aan de berg afsuisden alsof ze nooit anders gedaan hadden, volgde ik Lars soepeltjes naar beneden. Oefenweides en blauwe pistes waren het probleem niet, het ging om die rode en zwarte. Altijd als ik de diepte zag begon ik te verkrampen en bakte ik er helemaal niets meer van, bang om te pletter te vallen of iets te breken, legde ik hem uit. Maar Lars was toch “positiv überrascht” en dat gebeurde hem niet vaak.
Toen hij me zag aarzelen bij de sleepjeslift (ik ben ooit een keer met mijn jas aan zo’n ding blijven hangen) twijfelde hij geen seconde. Hij sloeg zijn arm om me heen, bracht zijn gezicht dicht bij het mijne en zei dat we dit klusje wel even samen zouden klaren. Een ogenblik later zat ik naast Lars op zo’n verdomde trekhaak, terwijl de hand die hij stevig op mijn rug hield, steeds lager kroop. Ik staarde naar mijn skistokken en vroeg me af of ik er een tussen zijn benen moest planten, maar in plaats daarvan vroeg ik naar zijn vrouw en kinderen.
Nog een keer van de blauwe piste gingen we. Voor de tweede keer samen op de sleephaak naar boven, hij weer met zijn arm om me heen, opperde hij om nu van de rode piste te gaan. Dan moesten we minstens tien minuten in zo’n stoeltjeslift. En o, wat boften we dat we als leraar en leerling overal voor mochten en naast elkaar konden zitten.
Lars zorgde er de hele rit voor dat zijn linkerbeen mijn rechter raakte, hoeveel ik ook naar links bewoog.
Mijn ergernis verbergend achter grapjes en grolletjes, stomme vragen en verwijzingen naar het heerlijke weer, kwamen we na ruim tien minuten boven op een werkelijk prachtige plek, met uitzicht over besneeuwde bergtoppen tegen een strakblauwe hemel. Ik zoog de frisse lucht naar binnen en liet mijn wangen opwarmen door de zon. Lars verstoorde mijn momentje door naast me te komen staan en met zijn hand over mijn rug te wrijven.
"Kein angst haben, liebe Jordana. Ich bleib de hele tijd bij jou."
Als ik ergens angst voor had dan was het om het logge lichaam van Oostenrijkse boerenkool Lars zwoegend en glimlachend boven me te zien hangen.
Nog voordat hij zijn hand van mijn rug had, liet ik me van de berg glijden. Als een malle skiede ik naar beneden, genietend van de snelheid en lachend om de kapriolen die ik moest uithalen om Lars te ontwijken en vallen te voorkomen.
Zonder moeite roetsjte ik daarna nog twee rode en een zwarte piste af.
Ik was klaar, zei Lars, er was niets meer dat hij me nog kon leren. Ik was het met hem eens.
Misschien is het waar en is skiën net als fietsen. Maar ik acht het waarschijnlijker dat mijn nieuwe angst voor handtastelijke skileraren mijn vrees om te pletter te vallen voorgoed heeft genezen.
 

Inpakstress

3 maart, 2017
Voordat ik kinderen had was op reis gaan simpel als een pinda. Alles wat ik mee wilde nemen lag al een paar dagen van tevoren schoon en in keurige stapeltjes gevouwen in de kast, klaar om in de koffer te leggen. Een paar uur voor vertrek kieperde ik dan alles in de koffer, die vreemd genoeg toen ook al nooit goed dicht ging. (Het blijft een mysterie wat ik per se allemaal mee moest voor me myself en ik.)
Ik was compleet relaxed, zorgde dat mijn haar gekapt was, de okseltjes, bikinilijn en beentjes spekhemeltjeglad waren en de nageltjes keurig gelakt.
Mijn hoofd was leeg genoeg om me nog voordat ik op Schiphol of bij de grens stond te herinneren of ik mijn paspoort wel bij me had.
O, wat een heerlijkheid om je toch zo op jezelf te kunnen focussen!
Nu is dat wel anders. De deur uit gaan vergt al een gedegen voorbereiding, laat staan een weekje wintersport. Mijn inpakstress begon al veertien dagen voor vertrek.
Kleding en attributen moesten opnieuw aangeschaft worden, aangezien de kids alles van vorig jaar, zelfs van vorig seizoen, niet meer pasten. Al het overige moest gewassen worden. En natuurlijk werd er precies gemorst, gepoept en geplast op de dingen die al schoon waren en die ik bedacht had om mee te nemen. Als het me al lukte om vast wat keurige stapeltjes gewassen goed klaar te leggen, werden die of geplunderd door de mister, die het gewoon heerlijk vindt om zich in keurig gevouwen stapeltjes een weg te graven naar het onderste kledingstuk, terwijl hij alles wat hij op zijn weg tegenkomt over de schouder werpt, of de kids, die nooit, maar dan ook nooit aan willen wat ik voor ze klaarleg.
Toen ik een dag voor vertrek het zweet van mijn voorhoofd en bovenlip veegde, toch wel trots dat het me gelukt was die eindeloze berg wasgoed weg te werken, kwam manlief  nog even doodleuk aanzetten met een stapel rottende etter die op wonderbaarlijke wijze ineens uit zijn voetbaltas gekropen was.
Er zijn een hoop dingen die je mannen kan bijbrengen, maar hun was meteen in de wasmand gooien, de nageltjes niet door de gootsteen spoelen, geen scheten laten onder de deken en de WC bril omlaag doen, blijft moeilijk. Vragen om verandering heb ik al opgegeven, het antwoord blijft als een bekraste cd steken op I can’t tell you why van de Eagles om daarna te blijven hangen op Madonna die ‘I’m not sorry, it’s human nature,’ zingt.
Wintersport verhoogde nog even de blinds, want alles wat in de koffer moest was dik en veel en groot en gewatteerd. Ik snap niet hoe mensen met kinderen het voor elkaar krijgen om alles in twee koffers te persen, en dat is ook  meteen de reden waarom wij gedoemd zijn om altijd met de auto naar ski oorden te rijden. Er is geen vliegmaatschappij die ons, een bont gezelschap van twee koffers, vier weekendtassen, twee handtassen, een snowboard, een krat speelgoed, een paar plastic tassen, een buggy, een slee, en vier personen wil meenemen. In ieder geval niet zonder de al verdriedubbelde prijs in de vakantieperiode nog even te verviervoudigen. Schandalig trouwens dat ze de prijzen van die tickets zo verhogen in het hoogseizoen, alsof kerosine ineens twee keer duurder is in de kerst- zomer- of voorjaarsvakantie, het niet voordeliger is om een vol vliegtuig te hebben en de piloten een salarisverhoging krijgen om dat vakantiegespuis rond te vliegen. Maar dat even terzijde.
Het briljante plan was om om tien uur ’s avonds weg te rijden, zodat de kinderen de hele rit lekker zouden tukken en wij zonder file de volgende ochtend vroeg onze bestemming zouden bereiken.  
Alle koppies geteld, compleet bepakt en bezakt vertrokken we, anderhalf uur later dan gepland. Dus kwamen we dik in de file, waren de kinderen de laatste uren klaarwakker en kotsten ze als klap op de vuurpijl allebei de hele achterbank onder.
De vakantie was fantastisch, maar volgend jaar vliegen we.
Wat het ook kost.