Jan Haring

28 april, 2017
‘Zo, dat is lang geleden!’
Ik knik en laat me door hem op mijn wangen kussen.
‘Hoe lang al? Vijftien jaar?’
‘Langer,’ antwoord ik. Niet lang genoeg, realiseer ik me. Mijn blik glijdt over zijn gezicht dat roomblank geboetseerd lijkt, met als enige afdruk van de tand des tijds de lichte rimpeltjes om zijn ogen. Hij heeft nog steeds hetzelfde haar, donkerbruin krullend, en diezelfde moedervlek op zijn wang. Geen karakteristieke, zoals die van Cindy Crawford, Madonna of Victoria Koblenko voor mijn part, maar een irritante.
‘Je was altijd al een lekker wijf, maar nu…’
Ik slik, pers mijn lippen op elkaar en word me ineens bewust van waar ik sta, te ver verwijderd van de liefde van mijn leven.
De zon zakt, de haven stampt van de Hollandse muziek en mensen die met bier -en wijnglazen de straten bevolken. De temperatuur lijkt met minstens twee graden te zijn gedaald, alle warmte verschuilt zich onder de huid van mijn gezicht.
‘Tjeses, je bent echt geen spat veranderd. Je lijkt op je moeder.’
Zoals hij het zegt, alsof ik blij mag zijn met zijn keuring, zijn blik constant dwalend over mijn gezicht en lager.
Hij was altijd al zo. Een intelligente jongen, rap van tong, gevat zelfs, maar arrogant. Glad als zijn naar achter gekamde krullen die door gel op hun plek worden gehouden.
Ik herinner me ineens momenten tijdens tennisles waarop hij ronduit gemeen was. Ik kon heel fijn met hem praten over van alles, maar als ik meer afwist van een onderwerp of hem van repliek diende, dan schopte hij me (een keer zelfs letterlijk) de hoek in. Meisjes die er zo uitzagen als ik mochten geen verstand hebben.
Hij is vast makelaar geworden, of nee, advocaat.
Ik pers er een glimlach uit.
‘Hoe gaat het met je?’ De woorden marcheren in een keurig rijtje over mijn lippen.
‘Goed. Druk, met werk en een kleintje onderweg.’
‘O, leuk, gefeliciteerd. Wat doe je voor werk?’
De spieren waarmee ik de glimlach op mijn wangen houd beginnen me te kwellen.
‘Ik ben jurist bij een woningcorporatie. En jij?’
‘Sales productmanager bij een private label producent, confectie. En moeder van twee kleintjes.’
‘Goh, sales productmanager. Schuift dat wat? Moeilijke branche, toch, kleertjes?’
Ik haal diep adem. ‘Ja.’
Een wolk schuift voor de zon en zo zonder de warmte op mijn huid begint de kilte vat op me te krijgen. Ter plekke heb ik spijt van een aantal zaken: dat ik hem tegen het lijf ben gelopen, dat ik niet meer weet waar ik mijn vest heb gelaten, dat ik überhaupt mijn vest heb uitgetrokken, dat ik vanochtend per se dit veel te blote jurkje uit mijn kast aan moest en dat ik niet aangeschoten ben. In ieder geval niet genoeg om tegen hem opgewassen te zijn.
Ik kruis mijn armen voor mijn borsten.
‘Weet je dat ik vroeger echt gek op jou was?’ biecht hij op.
De kreukels in mijn voorhoofd moeten duidelijk te tellen zijn. Hij snift vergenoegd.
 ‘Je hebt wel iedereen gehad hier in het dorp, hè? Zo jammer…’ gaat hij vrolijk verder.
Het is net alsof ik de stomp die hij me ooit in mijn maag gaf nog voel nadreunen. Ik zou ontsteld moeten zijn, beledigd, woest zelfs, maar ineens wordt het me duidelijk. De gesprekken die we hadden, zijn woede, zijn getreiter, zijn onvermogen om door mijn uiterlijk en mijn spontaniteit heen te kijken en de waarheid te zien. Want de waarheid is dat ik me nooit aan iemand heb gegeven uit mijn dorp. Iets wat ik altijd als een tekortkoming zag van mezelf, omdat het me zo heerlijk leek om dat te kunnen.
Voor een moment sluit ik mijn ogen, recht mijn rug, haal een teug adem en kijk hem dan diep aan.
‘Jeetje, ja, ik heb iedereen gehad hier. Behalve jou. Waarom is dat eigenlijk?’ 
Ik staar even naar zijn lippen en dan weer in zijn ogen. ‘Je had me zo kunnen hebben, als je wat liever was geweest…’ Ik stap naar voren, laat mijn hand over de gladde stof van zijn overhemd glijden tot achter in zijn hals. ‘Zo jammer...’ Dan ga ik op mijn tenen staan, leun naar voren en plant een vederlicht kusje op zijn wang. ‘Moet gaan. Fijn feestje nog.’
Ik draai me om en loop weg. Met iedere stap voel ik me waardelozer, totdat ik bij de mister ben. Hij houdt zijn arm omhoog, ik duik eronder en nestel me dicht tegen hem aan. Hij geeft me een kus op mijn hoofd.
‘Heb je het naar je zin?’ vraagt hij in mijn haar.
‘Hmm hmm,’ lieg ik. Stiekem kijk ik om. Hij staat daar nog. Onbewogen.
 

Fashionably late

21 april, 2017
‘Over anderhalf uur moeten we daar zijn, hè?’ zeg ik tegen Rubin, die onderuitgezakt op de bank voor de televisie zit. ‘Dat betekent dat we over een uur weg moeten.’
‘Hmm hmm.’ Hij stopt nog een nootje in zijn mond.
Ik gris Aafs shirtje van de stoel en neem het mee naar boven om het in de wasmachine te gooien.
Hoe kan hij zo relaxed blijven zitten?
In de badkamer hangt de rode jurk klaar voor het feestje vanavond. Eigenlijk is die veel te opvallend. 
Hoe heb ik dit in godsnaam uit kunnen kiezen? 
Terug naar de kast. Een spijkerbroek is veel te casual. Een zwarte broek met een blouse had ik vorige keer al aan. Toch maar een jurkje dan?
Ik kies er twee, trek er een aan en loop de trap af.
‘Ahum. Wat vind je hiervan?’
Moeizaam komt zijn blik los van het beeldscherm.
‘Heb je je nou nog niet gedoucht? Je bent al een half uur boven!’
‘Ja, maar kan dit? Is het niet te bloot?’
‘Eh…’
‘Ja, te bloot, hè, dat vond ik eigenlijk ook al. Wacht dan doe ik even die andere aan.’
In de gang schud ik de blauwe jurk van me af en stap in een zwarte met een strakke rok tot hoog in de taille en een wijde top eraan vast.
‘Deze is beter, toch? Alleen vindt je niet dat ik hier een te dikke buik voor heb?’
‘Nee.’
‘Nee? Nee, als in dat deze niet beter is of dat je niet vindt dat mijn buik hier te dik voor is?’
‘Ja. Ik bedoel, nee. Dit staat je goed, niets meer aan doen.’
Daar heb ik dus helemaal niets aan. Ik draai me om, houd mijn buik in en bekijk mezelf in de spiegel.
Het kan ermee door.
‘Schiet je wel een beetje op,’ roep ik vanaf de trap.
Even later stroomt het warme water over mijn huid. Ik sluit mijn ogen en stel me voor dat ik op het strand in Tel Aviv of Barcelona sta op een warme namiddag. Of beter nog, in de achtertuin van ons droomhuis in het buitenland, op steenworp afstand van de oceaan. Ik was mijn haar twee keer.
Omdat ik niet meer op de tekst van Whitney Houstons I wanna dance with somebody kan komen, zing ik drie liedjes van Amy Winehouse, terwijl ik mijn benen, oksels en bikinilijn glad scheer. Dansend stap ik de douche uit, alles is beslagen. Ik droog me af en borstel mijn haren glad, om ze vervolgens weer in de krul te kneden. Net als ik voorovergebogen sta om te beginnen met föhnen, komt Rubin de badkamer binnen.
‘Je weet dat we er nu al bijna hadden moeten zijn, hè?’
‘Nee, toch? Is het dan al zo laat?’ Ik zet de föhn op zijn hoogste standje. ‘Ik ben bijna klaar,’ roep ik boven het kabaal uit. Alleen nog mijn kleren aan en make uppen. Zo gepiept.
Even later kom ik beneden en tref ik hem weer op de bank. Ik kijk op de klok in de keuken. Een half uur te laat!
‘Verdomme, Rubin, kom met je luie reet van die bank af, we hadden er een half uur geleden al moeten zijn! Nu moet jij nog douchen en alles!’
Langzaam komt hij omhoog.
‘Je hebt je schoenen nog niet eens aan,’ zegt hij, compleet ongevoelig voor mijn stress aanval.
Mijn blik schiet naar mijn in zwarte panty gehulde voeten.
Als ik hem voorga de trap op, krijg ik een pets voor mijn billen.
‘We kunnen ook afzeggen,’ grijnst hij.
‘Doe niet zo flauw, schiet nou maar op, ik word nerveus van je.’
In de kast pas ik vier paar schoenen. Uiteindelijk beslis ik voor de beige enkellaarsjes met stiletto hak. Ik strompel de trap af.
Dit keer zit hij, gedoucht en al, op de bank Teletekst te kijken. 
‘Ik ben klaar, kom op nou.’
Hij komt omhoog.
‘Ik moet nog even plassen,’ zegt hij bloedserieus als we bij de voordeur zijn.
‘Meen je dit nou?’
Ik kan niet zien of hij lacht, want hij heeft zich al omgedraaid. 
Op zijn dooie gemak komt hij naar buiten geslentert en laat hij zich in de stoel achter het stuur vallen.
Ik blijf met mijn armen over elkaar geslagen zitten en tuit mijn lippen.
‘Is er soms iets?’ vraagt hij, terwijl hij optrekt.
‘Door jou zijn we nog later!’ roep ik.
Hij schatert het uit. 
 

Stad van mijn hart

14 april, 2017
Zes jaar geleden verliet ik de stad van mijn hart. Amsterdam, waar ik geboren ben, waar mijn familie vandaan komt en waar ik achttien jaar mijn dagen sleet, ruilde ik in voor Haarlem. Van de ene op de andere dag hadden we het idee onze stad ontgroeid te zijn en dat was dat.
 
In de trein naar mijn oude stad afgelopen zaterdagochtend moest ik denken aan mijn bijbaantje als schoenenverkoopster bij dr Adams in de Oude Doelenstraat.
Vijf jaar lang liep ik Iedere zomerse zaterdagochtend van het centraal station over de Zeedijk en de Oudezijds Voorburgwal naar de winkel, met het zonnetje net boven de daken van de herenhuizen, wat eendjes in de gracht op hun drijvende nesten van bij elkaar gesprokkeld riet, her en der wat prostituanten, junks, dealers en pooiers en misschien ergens een verdwaalde toerist, maar verder niemand. Het verre geluid van de trambel en het terug klappen van de eerste trede van de tramtrap, die net verlaten werd door de voet van een in- of uitstappende passagier, was het enige dat de rust verstoorde. Het ontwaken van de stad maakte een verknochtheid in me wakker die me deed vergeten dat ik er kwam om te werken. Eenmaal bij de winkel draaide ik het rolluik omhoog en schoof de glazen pui open. Er hadden zich heel wat taferelen afgespeeld voor die doorzichtige muur, van heroïne spuitende junks en handkarrende mannen, tot arrestaties, of zelfs een combinatie daarvan – een heroïne spuitende rukker die met zijn blote snikkel tegen het raam gedrukt werd door een potige politieagente, terwijl ik fatsoenlijk een paar Roots probeerde af te rekenen.
Lenny Kravitz, Gordon Sumner, Michael Jackson, Johnny Depp, Beyoncé, Kelis, Wyclef Jean en Brad Pitt voorzag ik zonder blikken of blozen van schoenen. Het kon allemaal in Amsterdam.
In de winkel draaiden we de hele dag alle Clubtracks R&B cd's, in het magazijn zongen en dansten we op de plaatjes mee. 
We kregen altijd vrijkaartjes voor de coolste party's, maar ik was verzot op hiphop, wat alleen werd gedraaid in de discotheken die geen doorbitch hadden en er over het algemeen om bekend stonden de kneuzen die elders geweigerd werden binnen te laten. Tussen de kleurrijkste mensen beleefde ik de beste feestjes.
Midden in de nacht liep ik dan van het Rembrandts, het Singel of het Leidse naar het Centraal station, waar ik in mijn uppie op de laatste nacht- of de eerste ochtendbus wachtte.
Er kon me niets gebeuren in mijn stad.
‘Amsterdam Centraal station, eindpunt van deze trein,’ klonk het door de luidsprekers. Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen. Gedwee stapte ik uit en sloot aan in de enorme rij voor de roltrap. Eenmaal buiten probeerde ik tussen het toeristengedruis, de auto’s, geluidloze taxi’s, trams en fietsers door de prins Hendrikkade over te steken. Het zweet stond op mijn voorhoofd. Was het hier altijd al zo druk?
Op de Zeedijk werd ik van de stoep verdreven door een groep Chinezen en weer op het trottoir gedwongen door een horde Fransen op gele fietsen.
De Nieuwmarkt was volgebouwd met terrasjes waar geen tafelblad en vrije stoel meer op te bekennen was. Zelfs de hoeren waren door de drukte voor hun ramen niet meer te zien. Ik keek op mijn horloge, half elf.
Waren er eigenlijk nog wel pooiers? Junks? En waar liepen de authentieke Anita’s die je aanspraken met ‘moppie’, ‘schat’ of ‘wijffie’? 
Bij een achenebbisj bakkerswinkeltje at ik voor negen euro nog geen tien centimeter glutenvrije quiche met een paar blaadjes sla. Geparkeerd voor vijf euro per uur aan de kade van de Kloveniersburgwal stonden alleen nog maar dikke wagens. In de etalage van een makelaarskantoor zag ik vraagprijzen van bijna vier ton voor appartementen van nog geen vijftig vierkante meter, zonder balkon.
Op het midden van het Rembrandtplein, waar ik ooit nog weleens mijn roes had uitgeslapen, zag het zwart van de toeristen die op de foto wilden met de in brons gegoten burgercompagnie naar beeltenis van Rembrandts Nachtwacht.
Wachtend op de tram naar de Watergraafsmeer hoorde ik alle talen, behalve Nederlands.
Was dit de stad waar ik nog altijd zo naar verlangde?
Een dag later lag ik heerlijk in het Amstelpark, wat tien jaar lang mijn achtertuin geweest was, op een kleedje in het zonnetje tijdens de Pure Markt. De sfeer was gezellig, een mengelmoes van mensen, culturen, kraampjes met leuke spulletjes en lekkere hapjes en muziek, niet mainstream, zei mijn vriendin. Niet mainstream? Vroeger lag ik in dit park in mijn bikini, zag er soms niemand behalve die aardige parkwachter die me er op attent kwam maken dat het park ging sluiten. Nu hadden we ons plekje op het grasveld bijna met geweld moeten veroveren. Later bij de speeltuin was er geen plukje gras meer te zien. Honderden mensen bevolkten het in mijn geheugen zo idyllische plekje. Waar ik dacht mijn kinderen vrij te kunnen laten spelen, verloor ik ze steeds uit het oog in de massa en zat ik er met samengeknepen billen bij.
En terwijl ik die namiddag met een boek en een glas wijn op mijn oerdegelijke loungebank in mijn oerdegelijke Haarlemse tuintje neerplofte, de kinderen voor de deur spelend met de buurtkindjes, realiseerde ik me dat wij Amsterdam nooit ontgroeid waren, Amsterdam had ons verdreven.
 

Plaag

7 april, 2017
Dinsdagavond half acht, de ondergaande zon scheen door de lamellen, het kantoor was verlaten, alleen op mijn bureautje stond de computer nog aan. Ik was al minstens een half uur mijn brein aan het breken over een mailtje aan een Duitse klant toen het appje van mijn moeder binnenkwam: Aaf heeft luis.
Ik staarde naar het schermpje tot het woord ‘luis’ tot leven kwam en van mijn telefoon zo over mijn hand de mouw van mijn truitje in kroop. Van schrik liet ik het ding uit mijn handen kletteren. Alsof het plafond het begeven had onder het gewicht van twee miljard luizen die zich daar jarenlang hadden schuilgehouden, werd ik overspoeld door kriebelende pootjes en jeukende beestjes.
Ik sprong op, gooide mijn hoofd voorover en krabde als een bezetene de huid er van af.
Waar was mijn zelfbeheersing? Ik moest aan Sarah Jessica Parker denken die er in I don’t know how she does it achter komt dat haar gezin besmet is met luis, terwijl ze een belangrijke meeting heeft met Alec Baldwin (klik hier). Toen had ik dat nog een grappige scène gevonden.
Als iemand me nu zou zien… Maar er was hier niemand. Ik zou leeggezogen worden door die zespotige pisgele bloedzuigers en mijn collega’s zouden morgenochtend op zijn vroegst pas mijn met luizen bedekte, compleet van bloed onttrokken karkas hier op de vloer aantreffen, en dat was het dan.
En toen dacht ik aan Aaf. Ik kon haar toch niet laten opvreten door die beesten?  
Mijn moeder zou nu ongeveer weggaan en Rubin kon dat luizengedoe natuurlijk nooit handelen in zijn uppie. 
Ik schudde de paniek en de beestjes van me af, zocht snel op google naar eerste hulp tips bij luizen, schreef er een aantal op een post it, knipte het licht uit en verliet in allerijl het pand.
Eenmaal thuis trof ik mijn moeder, de luisdetector, bij de voordeur op haar weg naar buiten.
‘Waren het er veel?’ vroeg ik, terwijl ik haar op haar wang kuste.
'Een stuk of dertig. Ik heb haar in bad gezet en ben uren bezig geweest om ze eruit te kammen. Ik heb er een paar voor je bewaard in een glaasje.’
'Oh, fijn.' Ik ging bijna over m'n nek.
'O, en Aaf weet het nog niet.’
'Hoe bedoel je?'
'Ze weet niet dat ze luis heeft. Ik heb het haar niet verteld, vond het zo zielig. Straks raakt ze er helemaal van in paniek.'
Hoe mijn moeder het voor elkaar heeft gekregen om tig luizen uit Aaf haar haren te kammen zonder dat ze doorhad waarom, is me een raadsel. Als ik één tandje van een kam op haar hoofd zet gilt ze het al uit. Weer een mysterie om toe te voegen aan de lijst met dingen die oma wel lukken en mama niet.
Ik haastte me naar mijn onwetende meisje, die nog wakker in haar bed lag. Ik drukte haar stevig tegen me aan en gaf haar een kus op haar luizenbol.
'Lieverd, je hebt luis. Ik ga je haar even in een vlecht doen. Morgenochtend doe ik er citroensap in en ga ik het nog een keer kammen, maar oma heeft de meesten er al uitgehaald.'
'Wat is luis?'
'O, van die kleine beestjes in je haar.'
'Wat doen die dan?'
'Kriebelen. Daar krijg je jeuk van. Daarom moest je zo krabben gisteren.'
'O.'
'Heb je nu nog jeuk?'
Ze schudde haar hoofd.
'Wat heeft oma met die luizen gedaan? Zijn ze dood?' gaapte ze.
'Ja.'
'Aah, zielig...'
Ik glimlachte en gaf haar een kus in haar heerlijke nekkie, terwijl ik haar haar vlechtte.
'Ze zitten in een glaasje.'
'Mag ik ze zien?' vroeg ze, haar moeheid verbijtend.
Ik frummelde een elastiekje om het uiteinde van de vlecht, wreef over haar rug en pakte haar hand.
Samen liepen we naar de badkamer waar ik haar het glaasje liet zien met de vijf drijvende luizenlijkjes.
'Dat zijn luizen.'
'Oké.' Meer zei ze niet.
Ik tilde haar terug naar bed, stopte haar in en sloop haar kamer uit. Toen ik zeker wist dat ze me niet meer zag rende ik het hele huis door om alle jassen, kleding, handdoeken en al het beddengoed in de was te gooien. Daarna drenkte ik mijn hoofdhuid in citroensap en azijn (kon mij het schelen dat ik strohaar zou hebben de komende weken) en liet het een paar uur intrekken.
De volgende ochtend noemde ik Aaf 'luizenpluisje', waarop zij zei dat ze dat niet was. 'Luizenbol dan.' Ze gaf me een por en noemde me dikzak. Mooi. Geheel plaag bestendig gaf ik haar aan de mister mee, aan hem de eer om in de klas mee te delen dat Aaf luis had.