Haarlem Azz

1 september, 2017
God, wat heb ik een hekel aan op elkaar gepakt staan, zoals nu bij Haarlem Jazz. Als varkens in de rij voor de vrije uitloop. Er is altijd wel een hand die langs mijn bil schampt waarop dan een binnensmonds ‘sorry’ of gewoon een knipoog volgt. Het doet me denken aan die keer in een overvolle tram 4 toen ik de inschatting maakte er nog net bij te kunnen passen. Met mijn schooltas onder mijn arm geklemd, mijn ene hand om de ijzeren paal en mijn andere met de grote mobiele telefoon van weleer tegen mijn oor, stond ik te bellen met mijn eerste grote liefde. Ik ging zo op in het beschermen van mijn tas, me staande houden tijdens het rijden, de zweetlucht negeren en het voeren van het telefoongesprek op gedempte toon, dat ik pas laat door had dat er iets tegen mijn kont prikte. Ik schoof naar voren, maar het porren bleef. Toen ik mijn billen naar achteren duwde om de prikker van mijn territorium te verdrijven, veranderde het prikken in schuren. Met zijn gewicht duwde de swaffelaar me tegen de paal. Ik kon me geen millimeter meer bewegen.
In mijn vrije oor hoorde ik een haperende ademhaling.
‘Ieuw!’ riep ik, terwijl ik mijn haar in zijn gezicht sloeg en mijn hoofd afwende. Ik moest hier weg.
Omdraaien was onmogelijk, me loswurmen was ook geen optie, waar kon ik heen? Ik wist dat er een bocht zou komen, dus zette ik me af, liet me met de bocht mee vallen, waardoor de viezerik achter me bijna omviel. Maar hij herpakte zich snel. Ik moest naar CS, maar toen de deuren bij de Dam opengingen plantte ik mijn elleboog tegen zijn neus en sprong ik naar buiten.
‘Vieze vuile gore klootzak!’ schreeuwde ik op z’n Monnickendams, dat nog platter is dan Jordaans. Mijn vriendje aan de telefoon bescheurde zich toen ik hem dit verhaal vertelde. Er valt altijd te lachen om en met mij, maar ik voelde me echt vies en zwak. Ik kocht meteen zo’n handgripper en trainde mijn grijpkracht door de hele dag in dat ding te knijpen. Mocht me zoiets nog een keer gebeuren, dan zou ik die fallus verpulveren in mijn rechterhand, geen genade!
 
Nu sta ik hier met mijn achttienjarige nichtje klokslag middernacht op de Grote Markt naar Ronnie Flex te kijken. Je kent hem, van Drank & Drugs en Energie. Op zich maakt hij wel lekkere muziek, maar er valt geen jazz van te maken.
Met zijn opgeschoren haar in vlechtjes bovenop zijn hoofd samengebonden, zodat ze opstaan en op de muziek meedeinen als het rafelig uiteinde van een scheepstouw, doet hij me aan Ray Slijngaard van 2 Unlimited denken. De muziek houdt het midden tussen rap en reggaeton. Alhoewel mijn kont en ik waarde hechten aan privacy, laten we geen gelegenheid onbenut om te schudden en God verhoede te twerken, en meneer Flex maakt nu net van die nummertjes die de billekes in vervoering brengen.
Dat is waarschijnlijk dan ook precies de reden dat ik me bevind tussen opgewonden tienermeisjes en opgefokte tienerjongens in Moncler jasjes met bontkragen om de sfeer goed op te pompen.
Als we eenmaal staan, helemaal vooraan links van het podium, neem ik de mountain pose in. Yoga mag dan misschien nog niet helemaal gestript zijn van het geitenwollensok imago, het zorgt in ieder geval voor een goede balans waardoor ik als een onbeweeglijke rots middenin het gedruis overeind blijf.
En ja, hoor, als Drank & Drugs ingezet wordt, springt de hele meute op en neer en heen en weer, als een modderstroom op tilt. Je zou het niet verwachten, maar het zijn de tienermeisjes die het hardst duwen, die ruzie zoeken met de bontkraagjes die ik niet voor de poes houd. Merkbaar slaat de sfeer om. Dit kan twee kanten op gaan, óf het wordt een massale vechtpartij, of een orgie. Either way, ik moet mijn nichtje hier weg zien te krijgen.
Een ruzie sus ik, een paar opgefokte jongens met donker krullend haar die er door niemand langs gelaten worden, tem ik door mijn hand op hun schouder te leggen, ze langs me te loodsen en lieflijk te glimlachen. Terwijl ze verlegen teruglachen, slaat het in als een bom. Ik ben een übermoeke geworden!
Al die gefrustreerde gezichtjes, de onzekere blikken, de jongens die zich zo stoer houden, net zo goed als de meiden, zijn ineens precies dat; onzekere en vooral jonge jongens en meisjes. Kinderen. Ik kijk naar mijn outfit. Mijn God, ik ben een bejaarde!
En het is niet mijn schuld, ik kwam hier voor Haarlem Jazz, in het altijd brave Haarlem komen daar normaal gesproken brave burgers van vijfentwintig plus op af, met Chanel tasjes, gestifte lipjes en een wit wijntje in de hand, lachend tegen de in beige chino en overhemd gestoken heren die compleet uit de maat meedansen op soulfulle saxofoonmuziek. Er is hier geen jazz aan! Niemand wil zijn fallus tegen mijn kont duwen hier, ze zullen wel twee keer nadenken! Mijn wijnglas is nog nooit zo leeg geweest. Paniekerig kijk ik om me heen, het wijninfuus ligt aan de andere kant van de myriade. Terwijl Ronnie Flex er een eind aan breidt, grijp ik M. bij de hand en zeg ik dat we hier weg moeten zijn voor iedereen doelloos over het plein gaat dwalen.
Ze zweeft volmaakt gelukkig naast me. ‘Echt cool van je dat je mee ging!’
Ik loop langs de wijnkar en besluit thuis een hele fles soldaat te maken en een protestmail te sturen naar de organisatie van dit Jazzfestival dat geen klote meer met jazz te maken heeft. Volgende keer ga ik naar een 80’s & 90’s revival party.  
 
 

Eenheidsworst

3 juni, 2017
‘Je moet een beetje gek zijn om in deze branche te werken’ zei iemand ooit tegen me toen ik begon met werken in de confectie, en mijn vader mopperde vroeger dikwijls dat je altijd zo goed bent als je laatste order in deze business. En zo is het.
Behalve het weer is er niets zo onvoorspelbaar en zo grillig als de mode.
 
Je zou denken dat een korte termijn private label producent voor grote winkelketens juist bestaansrecht heeft in tijden waarin de trend buy now wear now regeert, maar het bedrijf waar ik voor werkte overleefde de faillissementen van winkelketens als Miss Etam en V&D niet.
Ik weet nog goed hoe het voelde om zeven jaar werk, samengevoegd in zeven Leitz ordners, in de prullenbak te kieperen. Als een geplukte kalkoen waren niet alleen die mappen, maar het hele bedrijf op het laatst pijnlijk kaal.
Men weet het aan het weer (de zomers lieten te lang op zich wachten) de uitverkoop (ketens mochten het hele jaar door uitverkopen), het internet, de prijs, de kwaliteit en de collectie die gebracht werd, maar ik geloof niet meer dat het daar aan lag.
Jarenlang poogde ik de consument te vatten die om onverklaarbare redenen ineens niet meer bij onze klanten kocht. Ik zocht haar in winkels, bestudeerde haar leefwijze, bekeek de verkopen bij vergelijkbare ketens via internet, maar vond niet waar ze haar geld nu aan uitgaf. Er vond geen verschuiving plaats, de zak met geld werd niet van de ene toonbank op de andere neergezet. Hij leek verdampt. Op.
Maar niets is minder waar. En ik kan het weten, want ik ben zelf die consument geworden.
 
Als mak schaap van de wegwerpmaatschappij heb ik alles wel zo’n beetje weggeworpen, niets is meer verrassend.
Ik ben op de hoogte van de trends, lees de bladen, vul continu mijn Pinterest stijl wandje aan, maar shop maar eens in de twee, drie maanden in hooguit vier winkels mijn outfit en die van de kinderen bij elkaar.
Niet omdat ik niet van winkelen houd, ik heb er gewoon de tijd en het geduld niet meer voor.
Vier dagen per week werk ik en op de overige drie ben ik met de kinderen.
Buiten dat ik de tijd en het geduld niet heb, weet ik ook niet meer waar ik alles moet laten. Ik heb zakken vol afgedankt speelgoed, kabels en apparatuur die gedateerd zijn, kinderkleding die te klein is en zalfjes en smeerseltjes die ik niet meer gebruik. Vroeger zou ik dat weg hebben gegooid en gewoon weer doodleuk nieuw hebben gekocht. Nu geef ik alles wat ik overhoud aan vrienden en familie of zet ik het op de site ‘gratis op te halen in Haarlem’. Als je eens scrollt op zo’n facebookpagina dan zal het je verbazen wat mensen weggeven. Je wordt verdomd blij van mensen die dolgelukkig zijn met jouw gebruikte spulletjes. En andersom werkt het ook: kinderkleding en speelgoed krijg ik vaak van vrienden, buren en familie.
Daarom begin ik me steeds meer af te vragen waarom er maar massaal wordt bijgeproduceerd. Is het niet duidelijk dat het aanbod vele mate groter is dan de vraag?
En zijn veel mensen niet, net als ik, het koopziek-zijn beu?
 
Nu is er weer een Nederlandse keten die het moeilijk heeft. De Blokker.
Bij BNR Spitsuur werden Leen Bakker, Xenos en Big Bazar (de bedrijven die Blokker in de verkoop zet) onder de loep genomen. Allemaal kampten ze volgens het panel met een licht imagoprobleem. Door ieder van hen zal een bezem moeten worden gehaald, maar an sich was er met de formules en de locaties van de winkels niets mis, werd er gezegd.
Maar er is natuurlijk van alles mis met het massaal inkopen van artikelen voor een lage prijs en hopen dat de omloopsnelheid ooit weer zo hoog zal worden als vroeger. Zelfs de Action, aldus datzelfde panel, ziet geen groei meer in Nederland, dat zegt genoeg.
Het middensegment ligt compleet op de schop en langzaam gaat het verlies nu ook aan het hoog –en laagsegment knabbelen. Mensen zoals ik zijn op zoek naar duurzaamheid, dankbaarheid en beleving, niet meer naar massa en eenheidsworst.
 
Wat mij dan wel zou bewegen om te gaan shoppen? Een warenhuis zoals wijlen V&D, maar dan met een kinderspeelruimte en opvang in de kelder (denk aan Småland van Ikea). Een boeken afdeling met een loungecafé waar je op je gemak door de boeken kunt bladeren, met een aparte voorleeshoek voor de kinderen. Een speelgoedetage met een speelotheek (waar je speelgoed huurt voor een bepaalde periode). Een verdieping waar je je telefoon, computer of andere apparaat kunt inruilen bij het kopen van een nieuwe. Een parfum en make up afdeling met een visagist, een wellness etage waar je je kunt laten masseren. Een kledingafdeling waar ze, naast nieuwe kleding, ook vintage kleding verkopen en een interieur afdeling met nieuwe en tweedehands artikelen.
Dat lijkt mij nou echt het einde.
Maar goed, we leven in een markt die door grote multinationals gedreven wordt, en ik ben slechts een luis in de pels van de spitsmuis in hun speelveld.
 

Springstof

12 mei, 2017
Aaf springt hoog op de trampoline en laat zich vervolgens op haar billen vallen, waarna ze weer omhoog stuitert en op haar voeten probeert terecht te komen. Het ziet er klungelig uit en soms lijkt het net alsof ze met haar hoofd op haar knieën zal klappen. Vanuit de keuken aanschouw ik het tafereel met samengeknepen billen. ‘Niet te hoog springen en op je kont neerkomen, straks klapt je nek dubbel of je kin op je knieën!’
Meteen nadat ik het heb geroepen klimt Aaf van de trampoline af.
‘Dan hoef ik niet meer te springen,’ zegt ze verdrietig.
Heb ik haar nu bang gemaakt?
Ik was vroeger net zo argeloos en impulsief als zij, alleen een stuk koppiger. In geen honderd jaar had ik me door mijn moeder van die trampoline laten kletsen.  
Al had ze bewonderenswaardig veel geduld, als het op pret aankwam drukte mijn moeder die al voordat deze daadwerkelijk begonnen was, door me op alle gevaren te wijzen.
Uit tegendraadsheid werd ik een soort tomboy, maar wel een met een bord voor haar kop.
Ik rende met mijn handen in mijn zakken (al had ik daardoor al een keer mijn neus gebroken), ontsnapte uit de tuin en fietste als ukkie bijna het dorp uit, klom in bomen, schommelde mezelf een gat in mijn kop, liet mijn paard op de dijk terug naar huis galopperen met de teugels los, nadat ik een paar honderd meter met mijn voet door de stijgbeugel achter hem aan was gesleurd, dook van de hoogste duikplank, trotseerde wildwaterbanen met de grote jongens, ging tien keer in de Python, giechelde waar iedereen huilde tijdens het abseilen van een klimmuur en ging geen enkele ruzie uit de weg.
Ik vond mijn moeder altijd maar een zeur, want als het aan haar lag moest ik al bang zijn voor een kussengevecht, een likje aan een bot mes of een sproeier in de tuin, ‘het gras is nat, je gaat vallen!’ hoor ik haar nog zeggen. En alsof het onheil daarom over me afgeroepen werd, ging het dan ook precies altijd mis. Als ik iets argeloos deed gebeurde er nooit wat, maar zodra zij me op het gevaar had gewezen leek het in me te kruipen om mijn coördinatie te verstoren en mijn hersenen te verweken. Als het dan fout ging werd ik boos op haar en moest ik bewijzen, aan haar, maar vooral aan mezelf, dat ik het wel kon.
Nu ben ik de angsthaas. 
Eigenlijk al sinds mijn zwangerschap, realiseer ik me nu. Sindsdien ligt gevaar in de meest uiteenlopende hoeken op de loer: van rauwmelkse kazen, honing, roofvissen, alcohol, sigarettenrook, te zwaar tillen, zonlicht en te weinig slapen tot wiegendood, ongesteriliseerde flessen, kraanwater en koortslippen. Niet te warm, niet te koud. Oppassen voor de katten, want die konden uit jaloezie weleens je baby’s ogen uitkrabben.
Ja, sinds mijn zwangerschap is mijn wereld van een speeltuin in een survival parcours veranderd.
Ik schijn ook een radar te hebben voor horrorverhalen. Het is altijd een vriend van een vriend of een neef van een kennis van een buurman die het overkomt – van auto’s die met kinderen en al de gracht inrijden omdat ze vergeten zijn hem op de handrem te zetten tot een peuter die stikt in een cherrytomaatje – maar ze komen allemaal even hard binnen.
Hoe lang ben ik al bezig om al die angsten op mijn kinderen te projecteren en hoe vaak heb ik hun pret al bedorven door hun op alle gevaren te wijzen?
In mijn hoofd ga ik alles langs. De krampachtigheid waarmee ik hun nekjes ondersteunde toen ze nog te klein waren om hun hoofd zelf overeind te houden, de uitleg die ik ze gegeven heb over de dood, over vreemde mensen, over verdwalen, over in het water gaan, over klimmen, het lijken ineens allemaal plezierbedervers. Wat als ik te beschermend ben? Sam durft amper zelf zijn bed uit te klimmen, Aaf blijft stokstijf staan als ik haar naam roep, vaak benoemen ze zelf al op voorhand de gevaren van hun onderneming. Wat als ik met al mijn zorgen de lol van alles af heb gehaald?
Ze willen klimmen, springen, vallen, rennen, glijden en duiken en dat moet ook. Ze moeten zich kunnen bezeren, hun eigen fouten maken. In plaats van ze dwangmatig op alle gevaren te wijzen, kan ik ze misschien beter voordoen hoe het wel en niet moet.
 
Aaf ploft naast Sam op het net aangelegde kunstgrasperkje.
Ik schuif de groente opzij, laat het mes in de gootsteen vallen, droog mijn handen af en stap naar buiten.
‘Kom op jongens!’ zeg ik, terwijl ik de kids van de grond pluk.
‘Wat gaan we doen?’ vraagt Aaf.
‘Wie het hoogst kan springen op de trampoline!’
 

Jan Haring

28 april, 2017
‘Zo, dat is lang geleden!’
Ik knik en laat me door hem op mijn wangen kussen.
‘Hoe lang al? Vijftien jaar?’
‘Langer,’ antwoord ik. Niet lang genoeg, realiseer ik me. Mijn blik glijdt over zijn gezicht dat roomblank geboetseerd lijkt, met als enige afdruk van de tand des tijds de lichte rimpeltjes om zijn ogen. Hij heeft nog steeds hetzelfde haar, donkerbruin krullend, en diezelfde moedervlek op zijn wang. Geen karakteristieke, zoals die van Cindy Crawford, Madonna of Victoria Koblenko voor mijn part, maar een irritante.
‘Je was altijd al een lekker wijf, maar nu…’
Ik slik, pers mijn lippen op elkaar en word me ineens bewust van waar ik sta, te ver verwijderd van de liefde van mijn leven.
De zon zakt, de haven stampt van de Hollandse muziek en mensen die met bier -en wijnglazen de straten bevolken. De temperatuur lijkt met minstens twee graden te zijn gedaald, alle warmte verschuilt zich onder de huid van mijn gezicht.
‘Tjeses, je bent echt geen spat veranderd. Je lijkt op je moeder.’
Zoals hij het zegt, alsof ik blij mag zijn met zijn keuring, zijn blik constant dwalend over mijn gezicht en lager.
Hij was altijd al zo. Een intelligente jongen, rap van tong, gevat zelfs, maar arrogant. Glad als zijn naar achter gekamde krullen die door gel op hun plek worden gehouden.
Ik herinner me ineens momenten tijdens tennisles waarop hij ronduit gemeen was. Ik kon heel fijn met hem praten over van alles, maar als ik meer afwist van een onderwerp of hem van repliek diende, dan schopte hij me (een keer zelfs letterlijk) de hoek in. Meisjes die er zo uitzagen als ik mochten geen verstand hebben.
Hij is vast makelaar geworden, of nee, advocaat.
Ik pers er een glimlach uit.
‘Hoe gaat het met je?’ De woorden marcheren in een keurig rijtje over mijn lippen.
‘Goed. Druk, met werk en een kleintje onderweg.’
‘O, leuk, gefeliciteerd. Wat doe je voor werk?’
De spieren waarmee ik de glimlach op mijn wangen houd beginnen me te kwellen.
‘Ik ben jurist bij een woningcorporatie. En jij?’
‘Sales productmanager bij een private label producent, confectie. En moeder van twee kleintjes.’
‘Goh, sales productmanager. Schuift dat wat? Moeilijke branche, toch, kleertjes?’
Ik haal diep adem. ‘Ja.’
Een wolk schuift voor de zon en zo zonder de warmte op mijn huid begint de kilte vat op me te krijgen. Ter plekke heb ik spijt van een aantal zaken: dat ik hem tegen het lijf ben gelopen, dat ik niet meer weet waar ik mijn vest heb gelaten, dat ik überhaupt mijn vest heb uitgetrokken, dat ik vanochtend per se dit veel te blote jurkje uit mijn kast aan moest en dat ik niet aangeschoten ben. In ieder geval niet genoeg om tegen hem opgewassen te zijn.
Ik kruis mijn armen voor mijn borsten.
‘Weet je dat ik vroeger echt gek op jou was?’ biecht hij op.
De kreukels in mijn voorhoofd moeten duidelijk te tellen zijn. Hij snift vergenoegd.
 ‘Je hebt wel iedereen gehad hier in het dorp, hè? Zo jammer…’ gaat hij vrolijk verder.
Het is net alsof ik de stomp die hij me ooit in mijn maag gaf nog voel nadreunen. Ik zou ontsteld moeten zijn, beledigd, woest zelfs, maar ineens wordt het me duidelijk. De gesprekken die we hadden, zijn woede, zijn getreiter, zijn onvermogen om door mijn uiterlijk en mijn spontaniteit heen te kijken en de waarheid te zien. Want de waarheid is dat ik me nooit aan iemand heb gegeven uit mijn dorp. Iets wat ik altijd als een tekortkoming zag van mezelf, omdat het me zo heerlijk leek om dat te kunnen.
Voor een moment sluit ik mijn ogen, recht mijn rug, haal een teug adem en kijk hem dan diep aan.
‘Jeetje, ja, ik heb iedereen gehad hier. Behalve jou. Waarom is dat eigenlijk?’ 
Ik staar even naar zijn lippen en dan weer in zijn ogen. ‘Je had me zo kunnen hebben, als je wat liever was geweest…’ Ik stap naar voren, laat mijn hand over de gladde stof van zijn overhemd glijden tot achter in zijn hals. ‘Zo jammer...’ Dan ga ik op mijn tenen staan, leun naar voren en plant een vederlicht kusje op zijn wang. ‘Moet gaan. Fijn feestje nog.’
Ik draai me om en loop weg. Met iedere stap voel ik me waardelozer, totdat ik bij de mister ben. Hij houdt zijn arm omhoog, ik duik eronder en nestel me dicht tegen hem aan. Hij geeft me een kus op mijn hoofd.
‘Heb je het naar je zin?’ vraagt hij in mijn haar.
‘Hmm hmm,’ lieg ik. Stiekem kijk ik om. Hij staat daar nog. Onbewogen.
 

Stad van mijn hart

14 april, 2017
Zes jaar geleden verliet ik de stad van mijn hart. Amsterdam, waar ik geboren ben, waar mijn familie vandaan komt en waar ik achttien jaar mijn dagen sleet, ruilde ik in voor Haarlem. Van de ene op de andere dag hadden we het idee onze stad ontgroeid te zijn en dat was dat.
 
In de trein naar mijn oude stad afgelopen zaterdagochtend moest ik denken aan mijn bijbaantje als schoenenverkoopster bij dr Adams in de Oude Doelenstraat.
Vijf jaar lang liep ik Iedere zomerse zaterdagochtend van het centraal station over de Zeedijk en de Oudezijds Voorburgwal naar de winkel, met het zonnetje net boven de daken van de herenhuizen, wat eendjes in de gracht op hun drijvende nesten van bij elkaar gesprokkeld riet, her en der wat prostituanten, junks, dealers en pooiers en misschien ergens een verdwaalde toerist, maar verder niemand. Het verre geluid van de trambel en het terug klappen van de eerste trede van de tramtrap, die net verlaten werd door de voet van een in- of uitstappende passagier, was het enige dat de rust verstoorde. Het ontwaken van de stad maakte een verknochtheid in me wakker die me deed vergeten dat ik er kwam om te werken. Eenmaal bij de winkel draaide ik het rolluik omhoog en schoof de glazen pui open. Er hadden zich heel wat taferelen afgespeeld voor die doorzichtige muur, van heroïne spuitende junks en handkarrende mannen, tot arrestaties, of zelfs een combinatie daarvan – een heroïne spuitende rukker die met zijn blote snikkel tegen het raam gedrukt werd door een potige politieagente, terwijl ik fatsoenlijk een paar Roots probeerde af te rekenen.
Lenny Kravitz, Gordon Sumner, Michael Jackson, Johnny Depp, Beyoncé, Kelis, Wyclef Jean en Brad Pitt voorzag ik zonder blikken of blozen van schoenen. Het kon allemaal in Amsterdam.
In de winkel draaiden we de hele dag alle Clubtracks R&B cd's, in het magazijn zongen en dansten we op de plaatjes mee. 
We kregen altijd vrijkaartjes voor de coolste party's, maar ik was verzot op hiphop, wat alleen werd gedraaid in de discotheken die geen doorbitch hadden en er over het algemeen om bekend stonden de kneuzen die elders geweigerd werden binnen te laten. Tussen de kleurrijkste mensen beleefde ik de beste feestjes.
Midden in de nacht liep ik dan van het Rembrandts, het Singel of het Leidse naar het Centraal station, waar ik in mijn uppie op de laatste nacht- of de eerste ochtendbus wachtte.
Er kon me niets gebeuren in mijn stad.
‘Amsterdam Centraal station, eindpunt van deze trein,’ klonk het door de luidsprekers. Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen. Gedwee stapte ik uit en sloot aan in de enorme rij voor de roltrap. Eenmaal buiten probeerde ik tussen het toeristengedruis, de auto’s, geluidloze taxi’s, trams en fietsers door de prins Hendrikkade over te steken. Het zweet stond op mijn voorhoofd. Was het hier altijd al zo druk?
Op de Zeedijk werd ik van de stoep verdreven door een groep Chinezen en weer op het trottoir gedwongen door een horde Fransen op gele fietsen.
De Nieuwmarkt was volgebouwd met terrasjes waar geen tafelblad en vrije stoel meer op te bekennen was. Zelfs de hoeren waren door de drukte voor hun ramen niet meer te zien. Ik keek op mijn horloge, half elf.
Waren er eigenlijk nog wel pooiers? Junks? En waar liepen de authentieke Anita’s die je aanspraken met ‘moppie’, ‘schat’ of ‘wijffie’? 
Bij een achenebbisj bakkerswinkeltje at ik voor negen euro nog geen tien centimeter glutenvrije quiche met een paar blaadjes sla. Geparkeerd voor vijf euro per uur aan de kade van de Kloveniersburgwal stonden alleen nog maar dikke wagens. In de etalage van een makelaarskantoor zag ik vraagprijzen van bijna vier ton voor appartementen van nog geen vijftig vierkante meter, zonder balkon.
Op het midden van het Rembrandtplein, waar ik ooit nog weleens mijn roes had uitgeslapen, zag het zwart van de toeristen die op de foto wilden met de in brons gegoten burgercompagnie naar beeltenis van Rembrandts Nachtwacht.
Wachtend op de tram naar de Watergraafsmeer hoorde ik alle talen, behalve Nederlands.
Was dit de stad waar ik nog altijd zo naar verlangde?
Een dag later lag ik heerlijk in het Amstelpark, wat tien jaar lang mijn achtertuin geweest was, op een kleedje in het zonnetje tijdens de Pure Markt. De sfeer was gezellig, een mengelmoes van mensen, culturen, kraampjes met leuke spulletjes en lekkere hapjes en muziek, niet mainstream, zei mijn vriendin. Niet mainstream? Vroeger lag ik in dit park in mijn bikini, zag er soms niemand behalve die aardige parkwachter die me er op attent kwam maken dat het park ging sluiten. Nu hadden we ons plekje op het grasveld bijna met geweld moeten veroveren. Later bij de speeltuin was er geen plukje gras meer te zien. Honderden mensen bevolkten het in mijn geheugen zo idyllische plekje. Waar ik dacht mijn kinderen vrij te kunnen laten spelen, verloor ik ze steeds uit het oog in de massa en zat ik er met samengeknepen billen bij.
En terwijl ik die namiddag met een boek en een glas wijn op mijn oerdegelijke loungebank in mijn oerdegelijke Haarlemse tuintje neerplofte, de kinderen voor de deur spelend met de buurtkindjes, realiseerde ik me dat wij Amsterdam nooit ontgroeid waren, Amsterdam had ons verdreven.
 

Trip

17 maart, 2017
Vrijdag 06.10 uur stapte ik op Haarlem CS in de bus naar Schiphol Airport. Met mijn tot de nok toe volgepropte trolleykoffertje als handbagage, nam ik plaats bij het raam. Omdat ik aan het chatten was met een vroege vogel, had ik totaal niet op mijn omgeving gelet. Ik schrok op ergens in Hoofddorp, waar ik nooit kom, en zag hangars, vliegtuigen en bedrijven, maar geen Schiphol Plaza. Er heilig van overtuigd dat ik mijn halte gemist had en nu voorgoed vastzat in een stad met als enige trekpleister de Primark, vloog ik overeind. De meneer naast me schrok zich een ongeluk.
Half gegeneerd liet ik me weer in de stoel zakken. De bus reed, ik kon nergens heen.
'Zijn we al voorbij Schiphol?' De eerste woorden van die dag kwamen nogal krakend over mijn lippen.
De man verdiepte de lachrimpels in zijn lichtbebaarde wangen en keek me vriendelijk aan.
'Nee, we zijn nog niet eens voorbij de tunnel.'
'O.' Ik had geen flauw idee welke tunnel hij bedoelde en ik bloos al om minder, dus mijn wangen schroeiden.
'Na de tunnel is het de tweede halte. Schiphol Plaza.'
Ik glimlachte terug en knikte zodat hij zou weten dat ik hem heus wel begreep, ondanks mijn blonde blunder.
Ik negeerde de pling van het berichtje op de mobiel in mijn hand, om dit weekendje weg niet kotsmisselijk van wagenziekte te beginnen, en staarde uit het raam. Mijn uitzicht werd onderbroken door een betonnen muur. 'Dit is niet de tunnel die ik bedoel, hoor,' grijnsde de man.
Nee, dat wist ik heus wel, dit was een viaduct, een uitvinding van de Romeinen.
'Dit is een viaduct,' voegde Albert E. er aan toe.
Mijn blik schoot naar de man, die het bijna uitproestte. En omdat ik nogal een zwak heb voor lachende mensen, grinnikte ik mee.
'Weekendje weg?' vroeg hij, wijzend naar mijn koffertje.
'Ja, Barcelona.' Ik perste snel mijn lippen op elkaar om de spraakwaterval die ik voelde opborrelen tegen te gaan. Als zo’n opwindbaar plastic kunstgebitje tot het laatste tandje toe opgewonden kon ik wel door de bus klapperen van enthousiasme voor mijn girl trip. Maar niemand zat er op te wachten om aan te moeten horen hoe heerlijk ik het wel niet vond om naast werkende moeder ook nog af en toe het meisje te zijn wat ik vroeger was; iemand die uren naar verhalen kon luisteren en verhalen kon vertellen zonder elke vijf minuten onderbroken te worden. Iemand die door de stad fietste zonder deadline en zonder altijd het gevoel te hebben iets te zijn vergeten. Iemand die in een ander land kwam en steevast de mogelijkheid overwoog om daar voorgoed te blijven. Iemand die binnen twee dagen een boek uitlas, de hele dag naar muziek luisterde en zonder na te denken een fles wijn achterover sloeg, de pijn in haar voeten weg danste tot in de late uurtjes, een jamsessie vol zong en in het eerste zonlicht, met tjirpende vogeltjes als enige geluid in een verlaten stad, naar het station zwalkte. Iemand die gewoon even niets moest. Geen was, geen huishouden, geen werk, geen kinderen en geen man. Gewoon alleen ik.
Nee, op dat geleuter zat niemand te wachten.
'Lekker, hoor,' mompelde de man.
Pling. Snel opende ik messenger en schreef een berichtje terug.
De bus minderde vaart, de man greep de paal voor zijn neus vast en trok zichzelf omhoog. Over zijn schouder zei hij 'Je weet het, hè, na de tunnel, tweede halte,' terwijl hij zijn OV chipkaart tegen de kaartlezer drukte om uit te checken.
Ik glimlachte en salueerde.
'Veel plezier in Barcelona,' lachte hij.
Pling. ‘Have fun gal’ verscheen er op mijn scherm.
Twee plezierwensen tegelijkertijd, dat beloofde veel goeds.