Zomerdip

15 september, 2017
Met de zomervakantie lijkt in een klap ook de zomer voorbij. En hoe hartverscheurend dat ook is – voor iemand die zon nodig heeft om te kunnen ademen is dit pokkeweer gewoon om te janken – ik was er wel aan toe dat school weer begon.
Het is niet zo dat de vakantie verschrikkelijk was, integendeel, alleen zes weken is gewoon best lang. Op het eind wisten de kids niet meer wat ze moesten doen. Compleet uit hun ritme waren ze.
Iedereen in de straat was en masse vertrokken naar zonniger oorden, waardoor mijn arme bloedjes eenzaam tussen de steppenrollen doolden. Het leek wel een scène uit een western: Aaf the good, Sam the bad en ik gewoon ugly, in een verder uitgestorven spookstraat in het normaal zo roerige Haarlem Noord.
 
Zes lange weken verzorgde ik het entertainment en dat was, zeker nadat ik school een jaar lang omarmd had als tweede thuis voor mijn oudste, even wennen. Zelfs mijn naam was in de vergetelheid geraakt. Waarom ik ze ooit het woord ‘mama’ geleerd heb mag Joost weten, ik kon het niet meer hóren. Het was als het kuiken piep lied op repeat. Ik weet zeker dat als je kinderen aanleert om ‘Uwe majestueuze moederlijkheid’ in plaats van ‘mama’ te zeggen, je hooguit twee keer per vijf minuten geroepen wordt, maar daar moet je dan wel meteen bij de geboorte mee beginnen.  
Ik tref het ook niet dat mijn kinderen het concentratiespan lijken te hebben van een goudvis. Tien minuten lego en het is einde oefening. ‘Mama, mama, kom eens kijken?’
Een kwartier tekenen en ‘Mama,? Mama? Mama! Mama! Mahamaaaa!’
‘Ja…’
‘Hij is af! Kijk eens wat ik getekend heb. Mag ik kleien?’
Denk nu niet dat ik ondertussen stil heb gezeten: voor tien minuten legoplezier moet die hele doos omgekieperd worden. Als ze klaar zijn kan ik geen stap zetten zonder zo’n vierkant of langwerpig blok met nopjes onder mijn voeten te voelen, wat nog verdomd zeer doet ook. Als ik net het laatste stukje priegellego uit de zool van mijn voet heb gepulkt, zijn zij alweer uitgetekend. Ik sta nog de strepen van de tafel te boenen en die stiften weer op kleurvolgorde in het doosje te stoppen, terwijl zij rondjes om me heen rennen met Floodo en Loola, de glitteroogknuffeltjes in slaapzak, en vervolgens naar boven sprinten om de verkleedkist tot op de bodem leeg te halen.
Ik begrijp nu wel waarom ze stormen namen geven, want mijn mini mensjes laten als een kleine Harvey en baby Irma een ravage achter waar ze gaan.
Soms vraag ik me af of ik hier wel geschikt voor ben. Misschien ben ik gewoon meer een moedervogel-achtig type: ik vlieg uit om het eten te regelen, kom terug en kots met liefde die onophoudelijk piepende snaveltjes vol, om vervolgens weer de hort op te gaan. Als de kuikens slapen kruip ik het nest in en doe ik niets liever dan bij ze liggen om ze warm te houden.
Goed, Aaf was zelf ook aan school toe. Het uitslapen en doen waar je zin in hebt gaat op een gegeven moment vervelen, zelfs kinderen hebben een doel nodig. 
 
Inmiddels zitten we veertien dagen in het schoolritme en trekken we allemaal een beetje bij. We hebben de informatie avond gehad, de klassenmoeders zijn bepaald (aan die dans ben ik mooi ontsprongen) gymles, playdates, dansles, luizenpluizen, alles reilt en zeilt alsof het nooit vakantie is geweest. Alleen zit Aaf nu in groep 2, hoort bij de oudste kleuters en is al bezig met lezen en schrijven. Toen ze gisteren op de landkaart Italië aanwees moest ik bijna een traantje wegpinken. Ze wil weten wat oorlog is, vraagt hoe we weten hoe dinosaurussen er uitzagen, strikt haar eigen veters, regelt zelf limonade uit de koelkast, fietst al op een 16 inch fiets, telt tot honderd en meest recentelijk heeft ze een angst voor rimpels ontwikkeld. Dat was toen ik haar naar bed deed en ze vroeg hoe ik aan die drie groeven ter grootte van de wenkbrauwen van Bert op mijn voorhoofd kwam, vlak voordat ze me in de armen vloog en snikkend zei dat ze niet wilde dat ik oud werd en dood ging.
‘Ik ben vijfendertig!’ riep ik. ‘Ja, dat is heel oud,’ zei ze, terwijl ze de gigantische snottebel weer naar binnen haalde. Ze probeerde ons leeftijdsverschil op haar vingertjes uit te tellen, maar gaf het op na drie.
‘Maak je maar geen zorgen, moppie, we zijn maar sterrenstof. Dat ik je nu kan knuffelen is alles wat telt,’ zei ik in haar nekkie, waar ik wel tien keer per dag in snuffel om zoals ze nu ruikt in mijn geheugen te griffen.
Mijn meisje.
Volgend jaar wordt ze zes…
Man man, was het nog maar zomervakantie.
 

Moe, moe-der, moest

1 juli, 2017
Lang geleden toen mijn gezicht nog geen lijntjes vertoonde, mijn buik nog glad was, mijn borsten pront waren en mijn haren dertig centimeter langer, in een toren van 51 vierkante meter woonoppervlak in een land dat Amsterdam heette, hadden Rubin en ik het druk. Druk, druk, druk, druk, druk.
“Kunnen jullie dit weekend afspreken?”
‘Neuh, veel te druk.’
Ik werkte van negen tot negen, kwam thuis, flanste iets simpels te eten in elkaar, ging uit eten of haalde sushi, had seks of knipte de TV aan en zat binnen vijf minuten verstrikt in een aflevering van Sex and the City. Op mooie zomeravonden picknickten we in het Amstelpark of vond je ons op een terras. Ieder weekend kwamen er vrienden of aten we bij vrienden.
Man, man, wat waren we beschäftigt.
Nu, in het jaar tweeduizend en wie houdt dat nog bij tegenwoordig, liggen de zaken wel anders.
Werkdagen zijn van zeven tot negen, ook in het weekend. De enige vrije tijd die ik heb is op kantoor, en ‘s avonds na negenen.
Nachten zijn gevuld met babyvoedingen en darmkrampjes, later nachtmerries en bedplassen.
Nog voordat de wekker gaat staat een van de twee aapjes al de deken van mijn hoofd te trekken. Na een grote ochtendknuffelpartij (die me genoeg kracht geeft voor alles wat komen gaat) volgt de aankleedstrijd. Die gaat zo: ik wil dat ze zich aankleden, zij niet.
Als ik klaar ben met mijn Denzel Washington onderhandeling à la The Siege – hij lult gegijzelde kinderen uit een bus, ik moet ze in hun kleren zien te kletsen – is het ontbijten, lunch maken en kids wegbrengen.
Als ik op mijn werk kom kruip ik naar het koffie-infuus, na een slok huppel ik naar mijn bureautje, klaar om ongestoord aan de slag te gaan.
Een gesprek zonder iedere seconde geïnterrumpeerd te worden, al is het een prijsdiscussie met een leverancier, is een verademing.  
In de auto terug zet ik de muziek hard, blèr ik  mee, maak ik plannen om weer eens naar een jamsessie te gaan, een cursus te volgen, een boek te lezen. Met de kids even later op de achterbank gaat mijn feestje nog even door. Totdat het bedtijd is.
Het bedritueel is ongeveer gelijk aan de ochtendritus, ware het niet dat ze nu juist hun kleren niet meer uit willen (ja, je bedenkt het niet, hè). 
Tegen de tijd dat ik beneden ben, dat mag pas na het boekje lezen, het extra verhaaltje, nog een extra verhaaltje, twee liedjes, toch nog even plassen, misschien ook nog even poepen, de favoriete knuffel opduikelen en nog een slokje water, zijn de plannen die ik in de auto heb gemaakt niet alleen verdampt, ik kan me überhaupt niet meer herinneren dat ik in die auto heb gezeten.
Rond half negen is het etenstijd. Soms lukt het ons nog om een gesprek te voeren. Na het eten volgt een miraculeuze opleving (het zullen de koolhydraten zijn) waardoor de extreme vermoeidheid iets gaat sluimeren. Iedere keer zeg ik dan tegen mezelf dat ik naar bed moet, maar het is toch zonde dat ik dan helemaal geen avond heb? Meestal win ik de discussie van mijn verstandige zelf en kijk ik tot half één mijn favo Netflix serie of doe ik andere nutteloze dingen die me het valse gevoel van voldoening geven. Het resultaat is dat ik ’s ochtends mijn bed bijna niet meer uitkom, woorden soms niet over mijn lippen krijg,  ik een geheugen heb van een tachtigjarige (min het lange termijn geheugen) en dat ik weinig geduld heb. Chronische oververmoeidheid, het bekruipt je, neemt bezit van je en laat je niet meer los.
En hoewel ik soms verlang naar de dag dat de kids zegevieren in hun eigen toren, wil ik niets maar dan ook helemaal niets missen van ieder moment dat ik samen met ze heb. Het is alsof ze me vermoeien en energie geven tegelijkertijd. Als Rocky in de boksring die neergeslagen en weer opgepept, bijna KO gaat en weer opgelapt wordt.
Niemand kan je op dit fenomeen voorbereiden en niemand kan ook begrijpen waarom je dit met een gelukkig gevoel doorstaat.
Het blijft een grappig iets, het ouderschap.
 

Tongen

11 juni, 2017
Het is stil. De kinderen zitten als twee Duracel konijntjes waarvan de batterijen ogenschijnlijk leeg zijn, onderuitgezakt op de bank Paw Patrol te kijken.
Ik sluip naar de keuken, pak een bruin biertje uit de koelkast, een opener uit de la en tijger naar de tuin. Zachtjes laat ik me in mijn lounge ei vallen en plop het flesje open.
Het laatste zonnetje van de dag heeft het kussen voorverwarmd. Als ik mijn benen optrek, mijn hoofd achterover gooi en mijn ogen sluit voel ik me in dit ding zo geborgen als een baby in de baarmoeder.
Ik neem een slokje en zak nog dieper weg in het kussen.
Voetstappen.
‘Mam?’
Aaf klimt in de stoel waardoor ik bijna gelanceerd word.
‘Aaf! Je bent toch Paw Patrol aan het kijken?'
‘Nee, ik ben hier.’
Ze haalt haar schouders op.
‘Waarom ga je niet nog even lekker televisie kijken, we gaan zo naar boven...’ probeer ik, maar ik weet al dat het hopeloos is. Ik zet het flesje op de grond en til haar op mijn schoot.
Ze kijkt me recht aan en zegt: ‘Weet je, ik zag gisteren twee meisjes op de gang en die stonden met hun tongen tegen elkaar.'
‘Wat zeg je nou?’ Mijn rechterwenkbrauw moet mijn kruin wel bijna raken. 
‘Ik zag twee meisjes met hun tongen tegen elkaar.’
Even lijkt het alsof de zon tussen de daken van de huizen tegenover ons heen en weer getrokken wordt, alsof er hevig gestreden wordt om haar licht.
‘Bedoel je dat ze aan het tongzoenen waren?' Foute vraag. 'Waar zag je dat, Aaf?’ vraag ik snel, voordat ik moet gaan uitleggen wat tongzoenen is.
‘Op school.’
‘Op school?!’
Ze knikt en lijkt me te peilen. Waarschijnlijk hebben mijn uitpuilende rechteroog en mijn samengetrokken linker me verraden.
Het beeld van wild tongzoenende kleutermeisjes in de gang van de basisschool waar ik mijn dochter vijf dagen per week heen breng, bedekt mijn netvlies. Wat is het volgende? Orgies in de klas?
Ik was van plan het gesprek over de bloemetjes en de bijtjes uit te stellen tot haar achttiende verjaardag – nou oké, misschien is dat wat utopisch gedacht, maar de brugklas dan, op z’n vroegst.
Ze wordt maandag vijf, vijf! Hoe oud kunnen die meisjes in die gang nou helemaal geweest zijn?
Ik weet heus wel dat kinderen er tegenwoordig steeds vroeger bij zijn, maar in de kleuterklas al?
Ik kijk naar Aaf, die een pluk haar achter haar oren stopt en heen en weer wiebelt op mijn schoot.
Ze is de onschuld zelve. Haar ogen zijn glanzend blauwgroen en sprankelen, als iedere dag, van enthousiasme. Ze zuigt het leven op alsof het een elixer is van pure chocolade en stuitert onvermoeibaar rond op die steeds langer wordende beentjes van haar.
Er is niets mis met openbare affectie, met tongzoenende mensen van hetzelfde geslacht. Net zoals er ook niets mis is met aan jezelf friemelen, dat heb ik haar ook al eens gezegd. Als ze het maar doet in haar eigen bed, waar niemand het ziet.
Zou ze alles wat ik nu zeg al registreren en opslaan voor later? Als ik zeg dat tongzoenen niet mag, wat voor signaal geef ik dan af? Als ik zeg dat het oké is, wat leer ik haar dan? Staat ze dan morgen zelf op de gang te bekken met haar bestie?
Ik sluit mijn ogen en probeer de warmte te voelen van het reepje zonlicht dat ontsnapt is aan het duel tussen de daken.
‘Dat kan toch niet, mama?’
Dit is het moment. Nu moet ik iets zeggen. Maar wat?
‘Ik bedoel,’ vervolgt ze onverstoorbaar, ‘dat is toch heel vies? Daar krijg je toch enge ziektes van?’
Voordat ik het besef knikt mijn hoofd al wild bevestigend.
 ‘Ja, verschrikkelijke ziektes. Van uitvallende tongen tot rottende tanden…’ hoor ik mezelf zeggen.
'Dat dacht ik al.' Ze springt van mijn schoot af en huppelt weer naar binnen.
Ik pak mijn biertje en neem een grote slok.
 

Eenheidsworst

3 juni, 2017
‘Je moet een beetje gek zijn om in deze branche te werken’ zei iemand ooit tegen me toen ik begon met werken in de confectie, en mijn vader mopperde vroeger dikwijls dat je altijd zo goed bent als je laatste order in deze business. En zo is het.
Behalve het weer is er niets zo onvoorspelbaar en zo grillig als de mode.
 
Je zou denken dat een korte termijn private label producent voor grote winkelketens juist bestaansrecht heeft in tijden waarin de trend buy now wear now regeert, maar het bedrijf waar ik voor werkte overleefde de faillissementen van winkelketens als Miss Etam en V&D niet.
Ik weet nog goed hoe het voelde om zeven jaar werk, samengevoegd in zeven Leitz ordners, in de prullenbak te kieperen. Als een geplukte kalkoen waren niet alleen die mappen, maar het hele bedrijf op het laatst pijnlijk kaal.
Men weet het aan het weer (de zomers lieten te lang op zich wachten) de uitverkoop (ketens mochten het hele jaar door uitverkopen), het internet, de prijs, de kwaliteit en de collectie die gebracht werd, maar ik geloof niet meer dat het daar aan lag.
Jarenlang poogde ik de consument te vatten die om onverklaarbare redenen ineens niet meer bij onze klanten kocht. Ik zocht haar in winkels, bestudeerde haar leefwijze, bekeek de verkopen bij vergelijkbare ketens via internet, maar vond niet waar ze haar geld nu aan uitgaf. Er vond geen verschuiving plaats, de zak met geld werd niet van de ene toonbank op de andere neergezet. Hij leek verdampt. Op.
Maar niets is minder waar. En ik kan het weten, want ik ben zelf die consument geworden.
 
Als mak schaap van de wegwerpmaatschappij heb ik alles wel zo’n beetje weggeworpen, niets is meer verrassend.
Ik ben op de hoogte van de trends, lees de bladen, vul continu mijn Pinterest stijl wandje aan, maar shop maar eens in de twee, drie maanden in hooguit vier winkels mijn outfit en die van de kinderen bij elkaar.
Niet omdat ik niet van winkelen houd, ik heb er gewoon de tijd en het geduld niet meer voor.
Vier dagen per week werk ik en op de overige drie ben ik met de kinderen.
Buiten dat ik de tijd en het geduld niet heb, weet ik ook niet meer waar ik alles moet laten. Ik heb zakken vol afgedankt speelgoed, kabels en apparatuur die gedateerd zijn, kinderkleding die te klein is en zalfjes en smeerseltjes die ik niet meer gebruik. Vroeger zou ik dat weg hebben gegooid en gewoon weer doodleuk nieuw hebben gekocht. Nu geef ik alles wat ik overhoud aan vrienden en familie of zet ik het op de site ‘gratis op te halen in Haarlem’. Als je eens scrollt op zo’n facebookpagina dan zal het je verbazen wat mensen weggeven. Je wordt verdomd blij van mensen die dolgelukkig zijn met jouw gebruikte spulletjes. En andersom werkt het ook: kinderkleding en speelgoed krijg ik vaak van vrienden, buren en familie.
Daarom begin ik me steeds meer af te vragen waarom er maar massaal wordt bijgeproduceerd. Is het niet duidelijk dat het aanbod vele mate groter is dan de vraag?
En zijn veel mensen niet, net als ik, het koopziek-zijn beu?
 
Nu is er weer een Nederlandse keten die het moeilijk heeft. De Blokker.
Bij BNR Spitsuur werden Leen Bakker, Xenos en Big Bazar (de bedrijven die Blokker in de verkoop zet) onder de loep genomen. Allemaal kampten ze volgens het panel met een licht imagoprobleem. Door ieder van hen zal een bezem moeten worden gehaald, maar an sich was er met de formules en de locaties van de winkels niets mis, werd er gezegd.
Maar er is natuurlijk van alles mis met het massaal inkopen van artikelen voor een lage prijs en hopen dat de omloopsnelheid ooit weer zo hoog zal worden als vroeger. Zelfs de Action, aldus datzelfde panel, ziet geen groei meer in Nederland, dat zegt genoeg.
Het middensegment ligt compleet op de schop en langzaam gaat het verlies nu ook aan het hoog –en laagsegment knabbelen. Mensen zoals ik zijn op zoek naar duurzaamheid, dankbaarheid en beleving, niet meer naar massa en eenheidsworst.
 
Wat mij dan wel zou bewegen om te gaan shoppen? Een warenhuis zoals wijlen V&D, maar dan met een kinderspeelruimte en opvang in de kelder (denk aan Småland van Ikea). Een boeken afdeling met een loungecafé waar je op je gemak door de boeken kunt bladeren, met een aparte voorleeshoek voor de kinderen. Een speelgoedetage met een speelotheek (waar je speelgoed huurt voor een bepaalde periode). Een verdieping waar je je telefoon, computer of andere apparaat kunt inruilen bij het kopen van een nieuwe. Een parfum en make up afdeling met een visagist, een wellness etage waar je je kunt laten masseren. Een kledingafdeling waar ze, naast nieuwe kleding, ook vintage kleding verkopen en een interieur afdeling met nieuwe en tweedehands artikelen.
Dat lijkt mij nou echt het einde.
Maar goed, we leven in een markt die door grote multinationals gedreven wordt, en ik ben slechts een luis in de pels van de spitsmuis in hun speelveld.
 

Bakfiets

26 mei, 2017
Er zijn zoveel dingen die ik niet had gedacht ooit te zullen zeggen. ‘Niet met die kwal gooien!’ ‘Niet schilderen met vogelpoep!’ of ‘Oké, peuter dan in godsnaam maar in je neus en vreet het op, als je nog zo’n honger hebt,’ om maar wat te noemen.
En ook behoorlijk wat dingen die ik nooit had gedacht te zullen doen, zoals in het openbaar ruiken aan de in broek gehulde billen van mijn kind, mijn borst uit mijn voedingsbeha halen in een vol restaurant, een testrit maken met een kinderwagen op verschillende ondergronden en op een bakfiets fietsen.
Als je niet een kort pittig kapsel moeder was, dan was je bakfietsmoeder en ik, zoals ik met alles placht te doen, mikte op de gulden middenweg. Mijn haar liet ik halflang knippen en ik kocht een fiets met kinderzitje.
Maar vandaag moet ik jullie mededelen, mijn welgeërde lezers en lezeressen – en ga er lekker voor zitten, want dat doe ik ook, het kwik tikt hier zachtjes tegen de 30 graden en de wijn vloeit rijkelijk in mijn lounge ei die ik recentelijk aangeschaft heb voor een prikkie bij een bouwmarkt – dat de hemel zich opende, gouden zonnestralen op me liet neerdalen, een goddelijk briesje door mijn haren joeg en mijn vestje hard liet wapperen terwijl ik de duinen in tweeën spleet als een Jozes met mijn bijna dertig kilometer per uur rijdende bakfiets. En voor de beeldvorming voeg ik daar aan toe dat zich twee kinderen, een strandtas, een zak met eten, het nodige aan strandmateriaal en een zielsgelukkige vrouw van om en nabij de zestig kilo in en op die bakfiets bevonden.
Ja. De een wordt gelukkig van een tripje naar Stockholm om zijn voetbalteam te zien verliezen, de ander is in extase van een door een lithium batterij aangedreven bakfiets, verschil moet er wezen. En verschil, lieve mensen, is goed voor de diversiteit die volgens de Jessianen en kompanen o zo ver te zoeken is in de lage landen tegenwoordig.
Goed. Nadat we het vakje ‘voortplanting’ koud drie maanden hadden afgevinkt, kwamen we bij ‘voortbeweging’. Het was juli 2014, de zon scheen, de files naar het strand waren eindeloos en we wilden op de fiets met onze spruiten. Een baby in een draagdoek op de fiets leek ons doodeng en gevaarlijk, en in een maxicosi achterop de bagagedrager vond ik niets. Het zou me gebeuren dat ik een meter vooruit stoof, maar de maxicosi nog op de plek bij het stoplicht zou staan! Of dat de baby zo heen en weer en op en neer gehobbeld zou worden dat hij later onder niet meer van boven zou kunnen onderscheiden (over dat soort dingen denk je dus na als newly parent). Ergo verscheen de bakfiets ten tonele. Ik weet nog hoe vies we allebei hadden gekeken toen we voor het eerst een driewieler met houten bak, een tweewieler met stoffen bak en uiteindelijk ons zwaargewicht onder de bakfietsen aanschouwden met wat volgens mij gewoon een piepschuim bak was.
Het was of je bij de Porsche dealer naar een Dodge Caliber stond te kijken en hoorde hoeveel praktischer het zou zijn om zoveel meer ruimte te hebben.
De Urban Arrow was de Cayenne onder de bakfietsen. De lichtste, de meest wendbare, de ruimste, de hipste, de meest geruisloze en de snelste. Je snapt, we moesten wel. En van elektrisch was toen nog geen sprake.
Die eerste keer was ik een natte spons. Als een gebochelde Eucalypta zat ik al bij de eerste de beste heuvel die ons duinlandschap rijk is met mijn tong uit mijn mond over het stuur van mijn tweewieler met zwarte bak gebogen zonder een omwenteling te maken. De laatste twee kilometer naar het strand heb ik moeten lopen. Zelfs manlief trok het niet om die heuvel bij Bloemendaal aan Zee op te komen, alsof het al geen marteling genoeg is om dat Orbit Hotel langer dan een minuut als ijkpunt in je vergezicht te hebben – en ik lig het liefst twintig strandtenten verder in Zandvoort, bij Loot 1, 3 of 5, dus als we bij Orbit aankwamen, dan waren we er dus nog lang niet.
 
Al twee jaar mijmerde ik over trapondersteuning, maar dat zou ons zo’n bom duiten kosten dat we het steeds uitstelden. Nu was het schluß. Ruub kreeg Stockholm, dus ik eiste mijn trapondersteuning. En die kreeg ik.
Terwijl Rubin zich zetelde op een plastic stoeltje ergens in het vierde vak in de Friends Arena, zette ik mijn toges op het zadel van mijn gepimpte fiets.
De verbaasde blikken van wielrenners en snorfietsers die ik met twee vingers in mijn neus en twee kids in het bakkie inhaalde, ik leek potverdorie wel supermammie op mijn bakmobiel!
Om het verhaal compleet te maken hoorde mijn vriendin, mede elektrische Urban Arrow bezitster en misschien nog wel meer in extase om het gemak dan ik, vandaag een groep jochies van zestien zeggen dat er wel een erg lekker wijf op die bakfiets langs scheurde. Als je sneller gaat, dan zie je ook die rimpels niet!
Dus ja, mensen, een elektrische bakfiets? Halleluja.
 

Springstof

12 mei, 2017
Aaf springt hoog op de trampoline en laat zich vervolgens op haar billen vallen, waarna ze weer omhoog stuitert en op haar voeten probeert terecht te komen. Het ziet er klungelig uit en soms lijkt het net alsof ze met haar hoofd op haar knieën zal klappen. Vanuit de keuken aanschouw ik het tafereel met samengeknepen billen. ‘Niet te hoog springen en op je kont neerkomen, straks klapt je nek dubbel of je kin op je knieën!’
Meteen nadat ik het heb geroepen klimt Aaf van de trampoline af.
‘Dan hoef ik niet meer te springen,’ zegt ze verdrietig.
Heb ik haar nu bang gemaakt?
Ik was vroeger net zo argeloos en impulsief als zij, alleen een stuk koppiger. In geen honderd jaar had ik me door mijn moeder van die trampoline laten kletsen.  
Al had ze bewonderenswaardig veel geduld, als het op pret aankwam drukte mijn moeder die al voordat deze daadwerkelijk begonnen was, door me op alle gevaren te wijzen.
Uit tegendraadsheid werd ik een soort tomboy, maar wel een met een bord voor haar kop.
Ik rende met mijn handen in mijn zakken (al had ik daardoor al een keer mijn neus gebroken), ontsnapte uit de tuin en fietste als ukkie bijna het dorp uit, klom in bomen, schommelde mezelf een gat in mijn kop, liet mijn paard op de dijk terug naar huis galopperen met de teugels los, nadat ik een paar honderd meter met mijn voet door de stijgbeugel achter hem aan was gesleurd, dook van de hoogste duikplank, trotseerde wildwaterbanen met de grote jongens, ging tien keer in de Python, giechelde waar iedereen huilde tijdens het abseilen van een klimmuur en ging geen enkele ruzie uit de weg.
Ik vond mijn moeder altijd maar een zeur, want als het aan haar lag moest ik al bang zijn voor een kussengevecht, een likje aan een bot mes of een sproeier in de tuin, ‘het gras is nat, je gaat vallen!’ hoor ik haar nog zeggen. En alsof het onheil daarom over me afgeroepen werd, ging het dan ook precies altijd mis. Als ik iets argeloos deed gebeurde er nooit wat, maar zodra zij me op het gevaar had gewezen leek het in me te kruipen om mijn coördinatie te verstoren en mijn hersenen te verweken. Als het dan fout ging werd ik boos op haar en moest ik bewijzen, aan haar, maar vooral aan mezelf, dat ik het wel kon.
Nu ben ik de angsthaas. 
Eigenlijk al sinds mijn zwangerschap, realiseer ik me nu. Sindsdien ligt gevaar in de meest uiteenlopende hoeken op de loer: van rauwmelkse kazen, honing, roofvissen, alcohol, sigarettenrook, te zwaar tillen, zonlicht en te weinig slapen tot wiegendood, ongesteriliseerde flessen, kraanwater en koortslippen. Niet te warm, niet te koud. Oppassen voor de katten, want die konden uit jaloezie weleens je baby’s ogen uitkrabben.
Ja, sinds mijn zwangerschap is mijn wereld van een speeltuin in een survival parcours veranderd.
Ik schijn ook een radar te hebben voor horrorverhalen. Het is altijd een vriend van een vriend of een neef van een kennis van een buurman die het overkomt – van auto’s die met kinderen en al de gracht inrijden omdat ze vergeten zijn hem op de handrem te zetten tot een peuter die stikt in een cherrytomaatje – maar ze komen allemaal even hard binnen.
Hoe lang ben ik al bezig om al die angsten op mijn kinderen te projecteren en hoe vaak heb ik hun pret al bedorven door hun op alle gevaren te wijzen?
In mijn hoofd ga ik alles langs. De krampachtigheid waarmee ik hun nekjes ondersteunde toen ze nog te klein waren om hun hoofd zelf overeind te houden, de uitleg die ik ze gegeven heb over de dood, over vreemde mensen, over verdwalen, over in het water gaan, over klimmen, het lijken ineens allemaal plezierbedervers. Wat als ik te beschermend ben? Sam durft amper zelf zijn bed uit te klimmen, Aaf blijft stokstijf staan als ik haar naam roep, vaak benoemen ze zelf al op voorhand de gevaren van hun onderneming. Wat als ik met al mijn zorgen de lol van alles af heb gehaald?
Ze willen klimmen, springen, vallen, rennen, glijden en duiken en dat moet ook. Ze moeten zich kunnen bezeren, hun eigen fouten maken. In plaats van ze dwangmatig op alle gevaren te wijzen, kan ik ze misschien beter voordoen hoe het wel en niet moet.
 
Aaf ploft naast Sam op het net aangelegde kunstgrasperkje.
Ik schuif de groente opzij, laat het mes in de gootsteen vallen, droog mijn handen af en stap naar buiten.
‘Kom op jongens!’ zeg ik, terwijl ik de kids van de grond pluk.
‘Wat gaan we doen?’ vraagt Aaf.
‘Wie het hoogst kan springen op de trampoline!’
 

Stad van mijn hart

14 april, 2017
Zes jaar geleden verliet ik de stad van mijn hart. Amsterdam, waar ik geboren ben, waar mijn familie vandaan komt en waar ik achttien jaar mijn dagen sleet, ruilde ik in voor Haarlem. Van de ene op de andere dag hadden we het idee onze stad ontgroeid te zijn en dat was dat.
 
In de trein naar mijn oude stad afgelopen zaterdagochtend moest ik denken aan mijn bijbaantje als schoenenverkoopster bij dr Adams in de Oude Doelenstraat.
Vijf jaar lang liep ik Iedere zomerse zaterdagochtend van het centraal station over de Zeedijk en de Oudezijds Voorburgwal naar de winkel, met het zonnetje net boven de daken van de herenhuizen, wat eendjes in de gracht op hun drijvende nesten van bij elkaar gesprokkeld riet, her en der wat prostituanten, junks, dealers en pooiers en misschien ergens een verdwaalde toerist, maar verder niemand. Het verre geluid van de trambel en het terug klappen van de eerste trede van de tramtrap, die net verlaten werd door de voet van een in- of uitstappende passagier, was het enige dat de rust verstoorde. Het ontwaken van de stad maakte een verknochtheid in me wakker die me deed vergeten dat ik er kwam om te werken. Eenmaal bij de winkel draaide ik het rolluik omhoog en schoof de glazen pui open. Er hadden zich heel wat taferelen afgespeeld voor die doorzichtige muur, van heroïne spuitende junks en handkarrende mannen, tot arrestaties, of zelfs een combinatie daarvan – een heroïne spuitende rukker die met zijn blote snikkel tegen het raam gedrukt werd door een potige politieagente, terwijl ik fatsoenlijk een paar Roots probeerde af te rekenen.
Lenny Kravitz, Gordon Sumner, Michael Jackson, Johnny Depp, Beyoncé, Kelis, Wyclef Jean en Brad Pitt voorzag ik zonder blikken of blozen van schoenen. Het kon allemaal in Amsterdam.
In de winkel draaiden we de hele dag alle Clubtracks R&B cd's, in het magazijn zongen en dansten we op de plaatjes mee. 
We kregen altijd vrijkaartjes voor de coolste party's, maar ik was verzot op hiphop, wat alleen werd gedraaid in de discotheken die geen doorbitch hadden en er over het algemeen om bekend stonden de kneuzen die elders geweigerd werden binnen te laten. Tussen de kleurrijkste mensen beleefde ik de beste feestjes.
Midden in de nacht liep ik dan van het Rembrandts, het Singel of het Leidse naar het Centraal station, waar ik in mijn uppie op de laatste nacht- of de eerste ochtendbus wachtte.
Er kon me niets gebeuren in mijn stad.
‘Amsterdam Centraal station, eindpunt van deze trein,’ klonk het door de luidsprekers. Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen. Gedwee stapte ik uit en sloot aan in de enorme rij voor de roltrap. Eenmaal buiten probeerde ik tussen het toeristengedruis, de auto’s, geluidloze taxi’s, trams en fietsers door de prins Hendrikkade over te steken. Het zweet stond op mijn voorhoofd. Was het hier altijd al zo druk?
Op de Zeedijk werd ik van de stoep verdreven door een groep Chinezen en weer op het trottoir gedwongen door een horde Fransen op gele fietsen.
De Nieuwmarkt was volgebouwd met terrasjes waar geen tafelblad en vrije stoel meer op te bekennen was. Zelfs de hoeren waren door de drukte voor hun ramen niet meer te zien. Ik keek op mijn horloge, half elf.
Waren er eigenlijk nog wel pooiers? Junks? En waar liepen de authentieke Anita’s die je aanspraken met ‘moppie’, ‘schat’ of ‘wijffie’? 
Bij een achenebbisj bakkerswinkeltje at ik voor negen euro nog geen tien centimeter glutenvrije quiche met een paar blaadjes sla. Geparkeerd voor vijf euro per uur aan de kade van de Kloveniersburgwal stonden alleen nog maar dikke wagens. In de etalage van een makelaarskantoor zag ik vraagprijzen van bijna vier ton voor appartementen van nog geen vijftig vierkante meter, zonder balkon.
Op het midden van het Rembrandtplein, waar ik ooit nog weleens mijn roes had uitgeslapen, zag het zwart van de toeristen die op de foto wilden met de in brons gegoten burgercompagnie naar beeltenis van Rembrandts Nachtwacht.
Wachtend op de tram naar de Watergraafsmeer hoorde ik alle talen, behalve Nederlands.
Was dit de stad waar ik nog altijd zo naar verlangde?
Een dag later lag ik heerlijk in het Amstelpark, wat tien jaar lang mijn achtertuin geweest was, op een kleedje in het zonnetje tijdens de Pure Markt. De sfeer was gezellig, een mengelmoes van mensen, culturen, kraampjes met leuke spulletjes en lekkere hapjes en muziek, niet mainstream, zei mijn vriendin. Niet mainstream? Vroeger lag ik in dit park in mijn bikini, zag er soms niemand behalve die aardige parkwachter die me er op attent kwam maken dat het park ging sluiten. Nu hadden we ons plekje op het grasveld bijna met geweld moeten veroveren. Later bij de speeltuin was er geen plukje gras meer te zien. Honderden mensen bevolkten het in mijn geheugen zo idyllische plekje. Waar ik dacht mijn kinderen vrij te kunnen laten spelen, verloor ik ze steeds uit het oog in de massa en zat ik er met samengeknepen billen bij.
En terwijl ik die namiddag met een boek en een glas wijn op mijn oerdegelijke loungebank in mijn oerdegelijke Haarlemse tuintje neerplofte, de kinderen voor de deur spelend met de buurtkindjes, realiseerde ik me dat wij Amsterdam nooit ontgroeid waren, Amsterdam had ons verdreven.
 

Henkie

24 maart, 2017
Waar zojuist nog kreetjes van vreugde, geklets, trippelende voetstapjes en rammelende wielen van de poppenwagen hadden geklonken, was het nu ineens stil. Verdacht stil.
Ik keek door het kiertje dat de woonkamerdeur openliet.
Daar stonden ze, Sam en Aaf, beiden met hun handjes in de zij, starend naar iets op de grond voor hun voeten.
‘Wat zijn jullie aan het doen, boefjes?’ vroeg ik terwijl ik naar binnen stapte.
‘Moet je kijken, mama,’ zei Aaf, wijzend naar iets.
Ik bleef staan. Was dat een zwart pootje? Zag ik daar iets bewegen?
Opeens sprong Aaf opzij, Sam slaakte een kreet.
O. Mijn. God. Een spin!
‘Hij gaat weg, mama! Hij rent weg!’ gilde Aaf.
‘Je moet hem pakken, Aaf!’ schreeuwde Sam, zijn hese stemmetje sloeg een octaaf over.
Met zijn acht behaarde poten schuifelde het beest richting het dressoir, om zich daar vlak voor weer bewegingsloos te houden.
Ik moest iets doen, maar ik kon alleen maar naar het insect staren, terwijl mijn hart wild alle lucht uit mijn longen bonkte.
Aaf deed een stap in de richting van het monster. ‘Niet doen!’ schreeuwde ik.
Twee verschrikte blikken schoten mijn kant op. Ik sloot even mijn ogen en opende ze vastberaden. 
‘Laat de spin maar even met rust, jongens.’
Vanaf de plek waar ik vastgeroest stond had mijn stem verdacht kalm geklonken.
‘Wat ga je dan doen, mama?’ vroeg Sammetje. 
‘Mama gaat hem pakken, toch?’ Aaf keek me verwachtingsvol aan.
Ik zocht om me heen naar een uitvlucht, een briljant plan of een beetje moed. Maar wat kon ik doen? De buurman halen? Het zou niet de eerste keer zijn dat ik in blinde paniek een spin achterliet om met een beloofde held terug te keren naar de plek des onheils en vervolgens ineen te krimpen onder zijn blik van medelijden en zijn scepsis over mijn geestelijke gesteldheid als er nergens meer een spin te bekennen was.
Het laatste waar ik zin in had was om de komende uren in een aflevering van Opsporing Verzocht vast te zitten.
‘Mama! Hij beweegt weer!’
De spin draaide een kwartslag, leek met zes ogen de afstand naar de eeuwige vrijheid in te schatten, terwijl hij me met de andere twee een vuile blik toewierp.
Normaal zou ik wegrennen, maar ik kon mijn kinderen niet in een huis laten met een monsterspin. Het was hij of wij.
Resoluut stapte ik naar de keuken, pakte het grootste glas dat ik kon vinden, vond een flyer van een sushi restaurant en liep terug. Ik kon dit. Ik had twee kinderen gebaard, een acute blindedarmontsteking overleefd en samen met een tarantula gedoucht op mijn solotrip in Mexico. Drie keer had ik als tiener op de Megafestatie een vogelspin over mijn arm laten lopen om van mijn fobie af te komen. Ik kon dit.
Het beest leek me te peilen, nog even en hij zou de gok wagen. Het was nu of nooit.
Ik dook naar voren, zette het glas over de spin, schoof de flyer eronder en tilde hem op.
‘Heb ik hem? Heb ik hem?’ Ik durfde niet te kijken.
‘Ben je bang, mama?’
‘Nee, hoor,’ hijgde ik. ‘Aaf, kan jij de tuindeur voor mama opendoen, dan laat ik Henkie even naar buiten.’ Ik hoopte dat ik niet te smekend klonk.
‘Heet ie Henkie? Aaah…’
Met twee stuiterende wuppies in mijn kielzog liep ik richting de tuin. Voor de deur bleef Aaf staan.
‘Mag ik hem zien, mama?’ vroeg ze. ‘Ja! Ik ook! Ik ook!’ Sam sprong op en neer.
Ik ging iets door mijn knieën en hield Henkie in zijn glazen kooitje zo dat de kinderen hem goed konden zien.
‘Hij is wel groot, hè mama?’ 
‘Mm, mm.’
‘Ga maar lekker naar buiten, Henkie,’ zei Sam met een piepstemmetje. ‘Mag ik hem aaien?’ voegde hij er aan toe. 
‘Nee, je mag hem niet aaien. Henkie gaat nu naar huis.’
Op blote voeten liep ik naar buiten. Aaf kwam naast me staan. Ik zoog een diepe teug lucht naar binnen.
‘Oké, Henkie. Ik ga je vrijlaten. Ik had je op kunnen zuigen met de stofzuiger, kunnen laten verorberen door de kat of gewoon een mep kunnen geven met een slipper, maar dat heb ik allemaal niet gedaan. Dus nu ga je gewoon lekker daar in die hortensia, zonder geplak en gehang en zonder je hele familie op me af te sturen. Oké?’
Henkie verroerde zich niet. Dat vatte ik op als een bevestiging.
En toen deed ik het. Ik schoof het glas over de flyer en Henkie vloog zo de hortensia in.
Razendsnel greep ik de kinderen en rende naar binnen, waar ik de deur achter me op slot draaide.
Zo. Met deze mama valt niet te spotten, dacht ik nog.