Zomerdip

15 september, 2017
Met de zomervakantie lijkt in een klap ook de zomer voorbij. En hoe hartverscheurend dat ook is – voor iemand die zon nodig heeft om te kunnen ademen is dit pokkeweer gewoon om te janken – ik was er wel aan toe dat school weer begon.
Het is niet zo dat de vakantie verschrikkelijk was, integendeel, alleen zes weken is gewoon best lang. Op het eind wisten de kids niet meer wat ze moesten doen. Compleet uit hun ritme waren ze.
Iedereen in de straat was en masse vertrokken naar zonniger oorden, waardoor mijn arme bloedjes eenzaam tussen de steppenrollen doolden. Het leek wel een scène uit een western: Aaf the good, Sam the bad en ik gewoon ugly, in een verder uitgestorven spookstraat in het normaal zo roerige Haarlem Noord.
 
Zes lange weken verzorgde ik het entertainment en dat was, zeker nadat ik school een jaar lang omarmd had als tweede thuis voor mijn oudste, even wennen. Zelfs mijn naam was in de vergetelheid geraakt. Waarom ik ze ooit het woord ‘mama’ geleerd heb mag Joost weten, ik kon het niet meer hóren. Het was als het kuiken piep lied op repeat. Ik weet zeker dat als je kinderen aanleert om ‘Uwe majestueuze moederlijkheid’ in plaats van ‘mama’ te zeggen, je hooguit twee keer per vijf minuten geroepen wordt, maar daar moet je dan wel meteen bij de geboorte mee beginnen.  
Ik tref het ook niet dat mijn kinderen het concentratiespan lijken te hebben van een goudvis. Tien minuten lego en het is einde oefening. ‘Mama, mama, kom eens kijken?’
Een kwartier tekenen en ‘Mama,? Mama? Mama! Mama! Mahamaaaa!’
‘Ja…’
‘Hij is af! Kijk eens wat ik getekend heb. Mag ik kleien?’
Denk nu niet dat ik ondertussen stil heb gezeten: voor tien minuten legoplezier moet die hele doos omgekieperd worden. Als ze klaar zijn kan ik geen stap zetten zonder zo’n vierkant of langwerpig blok met nopjes onder mijn voeten te voelen, wat nog verdomd zeer doet ook. Als ik net het laatste stukje priegellego uit de zool van mijn voet heb gepulkt, zijn zij alweer uitgetekend. Ik sta nog de strepen van de tafel te boenen en die stiften weer op kleurvolgorde in het doosje te stoppen, terwijl zij rondjes om me heen rennen met Floodo en Loola, de glitteroogknuffeltjes in slaapzak, en vervolgens naar boven sprinten om de verkleedkist tot op de bodem leeg te halen.
Ik begrijp nu wel waarom ze stormen namen geven, want mijn mini mensjes laten als een kleine Harvey en baby Irma een ravage achter waar ze gaan.
Soms vraag ik me af of ik hier wel geschikt voor ben. Misschien ben ik gewoon meer een moedervogel-achtig type: ik vlieg uit om het eten te regelen, kom terug en kots met liefde die onophoudelijk piepende snaveltjes vol, om vervolgens weer de hort op te gaan. Als de kuikens slapen kruip ik het nest in en doe ik niets liever dan bij ze liggen om ze warm te houden.
Goed, Aaf was zelf ook aan school toe. Het uitslapen en doen waar je zin in hebt gaat op een gegeven moment vervelen, zelfs kinderen hebben een doel nodig. 
 
Inmiddels zitten we veertien dagen in het schoolritme en trekken we allemaal een beetje bij. We hebben de informatie avond gehad, de klassenmoeders zijn bepaald (aan die dans ben ik mooi ontsprongen) gymles, playdates, dansles, luizenpluizen, alles reilt en zeilt alsof het nooit vakantie is geweest. Alleen zit Aaf nu in groep 2, hoort bij de oudste kleuters en is al bezig met lezen en schrijven. Toen ze gisteren op de landkaart Italië aanwees moest ik bijna een traantje wegpinken. Ze wil weten wat oorlog is, vraagt hoe we weten hoe dinosaurussen er uitzagen, strikt haar eigen veters, regelt zelf limonade uit de koelkast, fietst al op een 16 inch fiets, telt tot honderd en meest recentelijk heeft ze een angst voor rimpels ontwikkeld. Dat was toen ik haar naar bed deed en ze vroeg hoe ik aan die drie groeven ter grootte van de wenkbrauwen van Bert op mijn voorhoofd kwam, vlak voordat ze me in de armen vloog en snikkend zei dat ze niet wilde dat ik oud werd en dood ging.
‘Ik ben vijfendertig!’ riep ik. ‘Ja, dat is heel oud,’ zei ze, terwijl ze de gigantische snottebel weer naar binnen haalde. Ze probeerde ons leeftijdsverschil op haar vingertjes uit te tellen, maar gaf het op na drie.
‘Maak je maar geen zorgen, moppie, we zijn maar sterrenstof. Dat ik je nu kan knuffelen is alles wat telt,’ zei ik in haar nekkie, waar ik wel tien keer per dag in snuffel om zoals ze nu ruikt in mijn geheugen te griffen.
Mijn meisje.
Volgend jaar wordt ze zes…
Man man, was het nog maar zomervakantie.
 

Moe, moe-der, moest

1 juli, 2017
Lang geleden toen mijn gezicht nog geen lijntjes vertoonde, mijn buik nog glad was, mijn borsten pront waren en mijn haren dertig centimeter langer, in een toren van 51 vierkante meter woonoppervlak in een land dat Amsterdam heette, hadden Rubin en ik het druk. Druk, druk, druk, druk, druk.
“Kunnen jullie dit weekend afspreken?”
‘Neuh, veel te druk.’
Ik werkte van negen tot negen, kwam thuis, flanste iets simpels te eten in elkaar, ging uit eten of haalde sushi, had seks of knipte de TV aan en zat binnen vijf minuten verstrikt in een aflevering van Sex and the City. Op mooie zomeravonden picknickten we in het Amstelpark of vond je ons op een terras. Ieder weekend kwamen er vrienden of aten we bij vrienden.
Man, man, wat waren we beschäftigt.
Nu, in het jaar tweeduizend en wie houdt dat nog bij tegenwoordig, liggen de zaken wel anders.
Werkdagen zijn van zeven tot negen, ook in het weekend. De enige vrije tijd die ik heb is op kantoor, en ‘s avonds na negenen.
Nachten zijn gevuld met babyvoedingen en darmkrampjes, later nachtmerries en bedplassen.
Nog voordat de wekker gaat staat een van de twee aapjes al de deken van mijn hoofd te trekken. Na een grote ochtendknuffelpartij (die me genoeg kracht geeft voor alles wat komen gaat) volgt de aankleedstrijd. Die gaat zo: ik wil dat ze zich aankleden, zij niet.
Als ik klaar ben met mijn Denzel Washington onderhandeling à la The Siege – hij lult gegijzelde kinderen uit een bus, ik moet ze in hun kleren zien te kletsen – is het ontbijten, lunch maken en kids wegbrengen.
Als ik op mijn werk kom kruip ik naar het koffie-infuus, na een slok huppel ik naar mijn bureautje, klaar om ongestoord aan de slag te gaan.
Een gesprek zonder iedere seconde geïnterrumpeerd te worden, al is het een prijsdiscussie met een leverancier, is een verademing.  
In de auto terug zet ik de muziek hard, blèr ik  mee, maak ik plannen om weer eens naar een jamsessie te gaan, een cursus te volgen, een boek te lezen. Met de kids even later op de achterbank gaat mijn feestje nog even door. Totdat het bedtijd is.
Het bedritueel is ongeveer gelijk aan de ochtendritus, ware het niet dat ze nu juist hun kleren niet meer uit willen (ja, je bedenkt het niet, hè). 
Tegen de tijd dat ik beneden ben, dat mag pas na het boekje lezen, het extra verhaaltje, nog een extra verhaaltje, twee liedjes, toch nog even plassen, misschien ook nog even poepen, de favoriete knuffel opduikelen en nog een slokje water, zijn de plannen die ik in de auto heb gemaakt niet alleen verdampt, ik kan me überhaupt niet meer herinneren dat ik in die auto heb gezeten.
Rond half negen is het etenstijd. Soms lukt het ons nog om een gesprek te voeren. Na het eten volgt een miraculeuze opleving (het zullen de koolhydraten zijn) waardoor de extreme vermoeidheid iets gaat sluimeren. Iedere keer zeg ik dan tegen mezelf dat ik naar bed moet, maar het is toch zonde dat ik dan helemaal geen avond heb? Meestal win ik de discussie van mijn verstandige zelf en kijk ik tot half één mijn favo Netflix serie of doe ik andere nutteloze dingen die me het valse gevoel van voldoening geven. Het resultaat is dat ik ’s ochtends mijn bed bijna niet meer uitkom, woorden soms niet over mijn lippen krijg,  ik een geheugen heb van een tachtigjarige (min het lange termijn geheugen) en dat ik weinig geduld heb. Chronische oververmoeidheid, het bekruipt je, neemt bezit van je en laat je niet meer los.
En hoewel ik soms verlang naar de dag dat de kids zegevieren in hun eigen toren, wil ik niets maar dan ook helemaal niets missen van ieder moment dat ik samen met ze heb. Het is alsof ze me vermoeien en energie geven tegelijkertijd. Als Rocky in de boksring die neergeslagen en weer opgepept, bijna KO gaat en weer opgelapt wordt.
Niemand kan je op dit fenomeen voorbereiden en niemand kan ook begrijpen waarom je dit met een gelukkig gevoel doorstaat.
Het blijft een grappig iets, het ouderschap.