Trip

17 maart, 2017
Vrijdag 06.10 uur stapte ik op Haarlem CS in de bus naar Schiphol Airport. Met mijn tot de nok toe volgepropte trolleykoffertje als handbagage, nam ik plaats bij het raam. Omdat ik aan het chatten was met een vroege vogel, had ik totaal niet op mijn omgeving gelet. Ik schrok op ergens in Hoofddorp, waar ik nooit kom, en zag hangars, vliegtuigen en bedrijven, maar geen Schiphol Plaza. Er heilig van overtuigd dat ik mijn halte gemist had en nu voorgoed vastzat in een stad met als enige trekpleister de Primark, vloog ik overeind. De meneer naast me schrok zich een ongeluk.
Half gegeneerd liet ik me weer in de stoel zakken. De bus reed, ik kon nergens heen.
'Zijn we al voorbij Schiphol?' De eerste woorden van die dag kwamen nogal krakend over mijn lippen.
De man verdiepte de lachrimpels in zijn lichtbebaarde wangen en keek me vriendelijk aan.
'Nee, we zijn nog niet eens voorbij de tunnel.'
'O.' Ik had geen flauw idee welke tunnel hij bedoelde en ik bloos al om minder, dus mijn wangen schroeiden.
'Na de tunnel is het de tweede halte. Schiphol Plaza.'
Ik glimlachte terug en knikte zodat hij zou weten dat ik hem heus wel begreep, ondanks mijn blonde blunder.
Ik negeerde de pling van het berichtje op de mobiel in mijn hand, om dit weekendje weg niet kotsmisselijk van wagenziekte te beginnen, en staarde uit het raam. Mijn uitzicht werd onderbroken door een betonnen muur. 'Dit is niet de tunnel die ik bedoel, hoor,' grijnsde de man.
Nee, dat wist ik heus wel, dit was een viaduct, een uitvinding van de Romeinen.
'Dit is een viaduct,' voegde Albert E. er aan toe.
Mijn blik schoot naar de man, die het bijna uitproestte. En omdat ik nogal een zwak heb voor lachende mensen, grinnikte ik mee.
'Weekendje weg?' vroeg hij, wijzend naar mijn koffertje.
'Ja, Barcelona.' Ik perste snel mijn lippen op elkaar om de spraakwaterval die ik voelde opborrelen tegen te gaan. Als zo’n opwindbaar plastic kunstgebitje tot het laatste tandje toe opgewonden kon ik wel door de bus klapperen van enthousiasme voor mijn girl trip. Maar niemand zat er op te wachten om aan te moeten horen hoe heerlijk ik het wel niet vond om naast werkende moeder ook nog af en toe het meisje te zijn wat ik vroeger was; iemand die uren naar verhalen kon luisteren en verhalen kon vertellen zonder elke vijf minuten onderbroken te worden. Iemand die door de stad fietste zonder deadline en zonder altijd het gevoel te hebben iets te zijn vergeten. Iemand die in een ander land kwam en steevast de mogelijkheid overwoog om daar voorgoed te blijven. Iemand die binnen twee dagen een boek uitlas, de hele dag naar muziek luisterde en zonder na te denken een fles wijn achterover sloeg, de pijn in haar voeten weg danste tot in de late uurtjes, een jamsessie vol zong en in het eerste zonlicht, met tjirpende vogeltjes als enige geluid in een verlaten stad, naar het station zwalkte. Iemand die gewoon even niets moest. Geen was, geen huishouden, geen werk, geen kinderen en geen man. Gewoon alleen ik.
Nee, op dat geleuter zat niemand te wachten.
'Lekker, hoor,' mompelde de man.
Pling. Snel opende ik messenger en schreef een berichtje terug.
De bus minderde vaart, de man greep de paal voor zijn neus vast en trok zichzelf omhoog. Over zijn schouder zei hij 'Je weet het, hè, na de tunnel, tweede halte,' terwijl hij zijn OV chipkaart tegen de kaartlezer drukte om uit te checken.
Ik glimlachte en salueerde.
'Veel plezier in Barcelona,' lachte hij.
Pling. ‘Have fun gal’ verscheen er op mijn scherm.
Twee plezierwensen tegelijkertijd, dat beloofde veel goeds.