Portuniks

16 juli, 2017
Het is 27 graden, een licht briesje speelt met mijn haren, twee Portugese jongens voetballen op hun balkon, in het diepe van het zwembad gooien een stel pubers met hun ouders een bal over, in het ondiepe spelen twee Belgische meisjes pakkertje met hun vader en daar vlak naast drijft Aaf aan haar knaloranje zwembandjes met haar nieuwe vriendinnetje die uit Vleuten komt. Haar andere nieuwe vriendin, Laura, is de dochter van de eigenaar van Galo d’ouro, het fijnste restaurant van Pêra, maar haar zien we alleen 's avonds.
Sammetje heeft zes dagen koorts gehad en is eindelijk opgeknapt – nu alleen zijn humeur nog. Rubin ligt naast me in de ligstoel te werken (hij denkt dat ik dat niet zie) en ik lig van onder de parasol op mijn IPhone deze zeer verheven anekdote voor jullie te tikken.
 
Al kan ik nog zo aan vakantie toe zijn, ik kom zelden tot rust tijdens onze gezinsvakanties. Het is vaak een verlengstuk van stress, met een kleuter en een peuter die niet zwemmen kunnen. Maar ik moet zeggen dat ik nu voor het eerst in jaren even achterover kan leunen, het moment kan voelen en misschien zelfs wel een beetje indommel af en toe. Het mag ook gerust een wonder heten dat ik Lolita, mijn favoriete boek waar ik zes weken geleden voor de tweede keer in begon, hier binnen drie dagen uit had.
Misschien komt het doordat de kids iets groter zijn, en dus zelfstandiger, of misschien komt het door Portugal.
Zodra de schuifdeuren van Faro aeroporto zich namelijk achter me sloten, voelde ik me weer net als toen ik hier was als klein meisje. De koele wind blies diezelfde geur van vijgenbomen en olijfbomen vermengd met het zilte van de zee over mijn huid, de zon straalde hoog in de lucht als een warmtegevend anker dat al die jaren vastgeroest op zijn plek heeft gezeten.
Alles wat de senhor achter de balie van het autoverhuurbedrijf in het onverstaanbare, maar prachtige Portugees tegen me zei, kon ik wel meeneuriën – met een taal die klinkt als een sambalied is het misschien wel logisch dat de haast deze contreien nog altijd ongemoeid heeft gelaten.
Nog voordat ik de auto instapte begon mijn brein al met het ontwarren van de door drukte en stress beknelde zenuwen, als de kleine knoopjes in het touwtje aan de plissé gordijnen in de erker van mijn woonkamer.
Het zou een mooie slogan kunnen zijn: ‘Portugal trakteert u op een gewichtloos gemoed binnen een minuut.’
Maar misschien heb alleen ik dat.
Ik ben een sucker voor die pittoreske vissersdorpjes met hun gestuukte witte huisjes, kleurrijke tegeltjes en felgekleurde raamkozijnen. De vervallen pandjes, het dorre landschap afgewisseld met lappen groen en palmbomen.
Schoonheid zit 'm hier in de lelijkheid, want wie bij achenebbisj uitziende restaurantjes naar binnen durft te stappen, zal verrast worden door het heerlijke eten en de ongekende vriendelijkheid van de mensen.
 
Hier op mijn luie stoel denk ik nu al met weemoed terug aan deze vakantie:
De reis op de veerboot van Olhão naar Ilha da Armona, een zandeiland in een natuurgebied, met prachtige parelwitte stranden, uitgestrekte panoramaviews van de zee, heerlijke restaurantjes en bovenal: weinig toeristen. Een plek waar de tijd niet komt.
En dan het eten in de haven van Ferragudo, met Portimão aan de overkant en verder niets dan zee. De kleine straatjes aldaar, gevuld met winkeltjes, het kantoor van Bakelaar de makelaar, gezellige barretjes en de leuke speeltuin voor de kinderen.
De overheerlijke lunch op het dakterras van Mar d’Estórias, in een historisch pandje in Lagos. Dwalen langs de boulevard met de vele marktkraampjes en de verrukkelijke vis die we aten bij Tasca da Lota in de haven van Lagos.
Banjeren door Silves, een Fado concert bijwonen in een koffietentje aan de voet van het kasteel en onze buikjes bol lunchen bij Marisqueira Rui.
Heerlijk toeven op Praia da Rocha, Praia da Marinha en kijken naar de vissersbootjes op het strand van Armaçao de Pêra. Daar blijven hangen en dineren bij Arte Náutica Beach restaurant, of een stukje goedkoper, minder hip maar absoluut niet minder lekker, bij casa de Pasto Zé Leitero.
En ik verlang ook al bijna mistroostig terug naar het moment van nu, lekker luierend bij het zwembad, met de voetjes in het gras…
 
En terwijl ik dit stukje typ en nadenk over wat ik nu eigenlijk wil zeggen met dit verhaal, besef ik dat dat het precies is. Niks. Dit verhaal gaat nergens over, en dat is nou juist zo lekker aan vakantie.
 

Jan Haring

28 april, 2017
‘Zo, dat is lang geleden!’
Ik knik en laat me door hem op mijn wangen kussen.
‘Hoe lang al? Vijftien jaar?’
‘Langer,’ antwoord ik. Niet lang genoeg, realiseer ik me. Mijn blik glijdt over zijn gezicht dat roomblank geboetseerd lijkt, met als enige afdruk van de tand des tijds de lichte rimpeltjes om zijn ogen. Hij heeft nog steeds hetzelfde haar, donkerbruin krullend, en diezelfde moedervlek op zijn wang. Geen karakteristieke, zoals die van Cindy Crawford, Madonna of Victoria Koblenko voor mijn part, maar een irritante.
‘Je was altijd al een lekker wijf, maar nu…’
Ik slik, pers mijn lippen op elkaar en word me ineens bewust van waar ik sta, te ver verwijderd van de liefde van mijn leven.
De zon zakt, de haven stampt van de Hollandse muziek en mensen die met bier -en wijnglazen de straten bevolken. De temperatuur lijkt met minstens twee graden te zijn gedaald, alle warmte verschuilt zich onder de huid van mijn gezicht.
‘Tjeses, je bent echt geen spat veranderd. Je lijkt op je moeder.’
Zoals hij het zegt, alsof ik blij mag zijn met zijn keuring, zijn blik constant dwalend over mijn gezicht en lager.
Hij was altijd al zo. Een intelligente jongen, rap van tong, gevat zelfs, maar arrogant. Glad als zijn naar achter gekamde krullen die door gel op hun plek worden gehouden.
Ik herinner me ineens momenten tijdens tennisles waarop hij ronduit gemeen was. Ik kon heel fijn met hem praten over van alles, maar als ik meer afwist van een onderwerp of hem van repliek diende, dan schopte hij me (een keer zelfs letterlijk) de hoek in. Meisjes die er zo uitzagen als ik mochten geen verstand hebben.
Hij is vast makelaar geworden, of nee, advocaat.
Ik pers er een glimlach uit.
‘Hoe gaat het met je?’ De woorden marcheren in een keurig rijtje over mijn lippen.
‘Goed. Druk, met werk en een kleintje onderweg.’
‘O, leuk, gefeliciteerd. Wat doe je voor werk?’
De spieren waarmee ik de glimlach op mijn wangen houd beginnen me te kwellen.
‘Ik ben jurist bij een woningcorporatie. En jij?’
‘Sales productmanager bij een private label producent, confectie. En moeder van twee kleintjes.’
‘Goh, sales productmanager. Schuift dat wat? Moeilijke branche, toch, kleertjes?’
Ik haal diep adem. ‘Ja.’
Een wolk schuift voor de zon en zo zonder de warmte op mijn huid begint de kilte vat op me te krijgen. Ter plekke heb ik spijt van een aantal zaken: dat ik hem tegen het lijf ben gelopen, dat ik niet meer weet waar ik mijn vest heb gelaten, dat ik überhaupt mijn vest heb uitgetrokken, dat ik vanochtend per se dit veel te blote jurkje uit mijn kast aan moest en dat ik niet aangeschoten ben. In ieder geval niet genoeg om tegen hem opgewassen te zijn.
Ik kruis mijn armen voor mijn borsten.
‘Weet je dat ik vroeger echt gek op jou was?’ biecht hij op.
De kreukels in mijn voorhoofd moeten duidelijk te tellen zijn. Hij snift vergenoegd.
 ‘Je hebt wel iedereen gehad hier in het dorp, hè? Zo jammer…’ gaat hij vrolijk verder.
Het is net alsof ik de stomp die hij me ooit in mijn maag gaf nog voel nadreunen. Ik zou ontsteld moeten zijn, beledigd, woest zelfs, maar ineens wordt het me duidelijk. De gesprekken die we hadden, zijn woede, zijn getreiter, zijn onvermogen om door mijn uiterlijk en mijn spontaniteit heen te kijken en de waarheid te zien. Want de waarheid is dat ik me nooit aan iemand heb gegeven uit mijn dorp. Iets wat ik altijd als een tekortkoming zag van mezelf, omdat het me zo heerlijk leek om dat te kunnen.
Voor een moment sluit ik mijn ogen, recht mijn rug, haal een teug adem en kijk hem dan diep aan.
‘Jeetje, ja, ik heb iedereen gehad hier. Behalve jou. Waarom is dat eigenlijk?’ 
Ik staar even naar zijn lippen en dan weer in zijn ogen. ‘Je had me zo kunnen hebben, als je wat liever was geweest…’ Ik stap naar voren, laat mijn hand over de gladde stof van zijn overhemd glijden tot achter in zijn hals. ‘Zo jammer...’ Dan ga ik op mijn tenen staan, leun naar voren en plant een vederlicht kusje op zijn wang. ‘Moet gaan. Fijn feestje nog.’
Ik draai me om en loop weg. Met iedere stap voel ik me waardelozer, totdat ik bij de mister ben. Hij houdt zijn arm omhoog, ik duik eronder en nestel me dicht tegen hem aan. Hij geeft me een kus op mijn hoofd.
‘Heb je het naar je zin?’ vraagt hij in mijn haar.
‘Hmm hmm,’ lieg ik. Stiekem kijk ik om. Hij staat daar nog. Onbewogen.